WILLEM BILDERDIJK.

De krekel

Voor schatten is uw heil
Niet veil,
Door woorden niet te melden;
ô Krekel, die, op d’ eikenbast,
U met een luttel daauw vergast,
En huppelt door de velden!

Waar gij, op akkers, graan
Ziet staan,
In voren, zaadjens schieten;
Voor u is ’t, dat het koren wast;
En wat de boer in schuren tast,
Gij moogt het al genieten.

De noeste boer besteedt
Zijn zweet
Voor u, voor uw genoegen:
En als uw zuizen hem vermaakt,
De vorsch rikkikt, de eendtjen kwaakt,
Vergeet hij al zijn zwoegen.

Gij zijt geen haatlijk leedprofeet,
Als duizend onweêrkraaiers;
Maar, zomerboô, maar zongezant
Bevestigt ge aan ’t bezwangerd land
De onzeekre hoop des zaaiers.

Gij draagt degunst de Mingodin;
Der Heliconiaden;
Apol verleende u den snuit
Een zoet en zangerig geluid,
waar aan geen jaren schaden.

En matig, en benijdingvrij;
In altijd vrolijk zingen;
Bereikt ge, ô kleen en bloedloos dier,
Den staat der hooge Goden schier,
En spot met stervelingen.

 

 

De rozen

 

Ik heb ze zien bloeien
By ’t uchtendontgloeien;
Nu hangen de bladen en storten in ’t stof,
Tot speeltuig der stormen,
Tot aas van de wormen,
Tot schaamte van d’op haar zoo pralende Hof.

Toen zogen haar knopjens
De lavende dropjens,
Tot parels geronnen uit hemelschen daauw:
Nu missen zy kleuren,
En spreiden geen geuren,
Eer de avond de velden nog wikkelt in ’t graauw.

Zoo zag ik geslachten,
Zoo schoonheid en krachten
Ontluiken en bloeien, maar luttel bestaan:
Zoo lach en verblijden
In jammer en lijden
Voor ’t schemerend Westen des levens vergaan.

Zoo ’t zingen en springen
Voor ’t handenverwringen
Verwisseld, in in dan een vluchtigen wenk.
’t Zijn alles slechts bloemen
Waarop wy hier roemen;
t Is alles een daauwdrop, een morgengeschenk.

De luister der oogen
Met nevels betogen,
Ja, zenuw- en voeding- en spierkracht verkwijnt.
Ook oordeel en reden
Bezwijkt met de leden,
En ’t leven verwaassemt, vervliegt, en verdwijnt.

 

Home.