P.A. DE GÉNESTET.


BIJ EEN FANTASIE VAN DEN HEER
J.A. KRUSEMAN.

 

Daar vloeit een geur van liefde en zegen,

Van hemelzin en levensvreugd,

Van vroeg geloof en jonge jeugd

Van ’s kunstnaars teeder doek u tegen.

En als ge uw blik, nog onverzaad,

Verliefd, verteederd en bewogen,

Van dit blijmoedige gelaat

En deze vrome, vrolijke oogen

Weêr in de koude wereld slaat ---

Dan voelt gij zooveel zoete smarten

Alsof gij ’t beste deel uws harten

Bij ’t lieve beeld  uit ’t droomgebied

Der kunst  voor eeuwig achterliet.

 

Julij, 1849.                                                                                   

 

 

 

Anni’s taal

 

Geen dichter schiep ooit zoeter taal, 

Geen schrijver maakt zulke zinnetjes,

Als gij, bruin wicht, klein ideaal

Van al uw moeders vriendinnetjes!

 

Wie, drommel, leerde u toch zoo lief

En geestig uw woordjes te schikken,

Te snappen zoo onnavolgbaar naïef,

Met mondje en handjes en blikken?

 

Ik heb beproefd te schrijven als gij,

O schalkje! gewoon zijt te spreken.

Beproefd in proza en poëzij –

Mijn povere kunst is gebleken!


Uw stemmetje klinkt zoo blij, zoo zoet;

De woordekens buitlen en trippen,

Vol geur en kleur en toon en gloed,

U van de rozenlippen.

 

Dus koosden wis in ’t paradijs

De reine kinderzielen,

Op vrome, kunstelooze wijs –

Eer ze in de geleerdheid vervielen?

 

Gij kunt me zoo zonder grammatika,

Verbuigen en vervoegen,

Dat ik betooverd te luisteren sta,

Schier met jaloers genoegen.

 

Wie leerde u dat?  Dat leerde u voorwaar

Geen kitt’lig taalgeleerde,

Geen preeker of geen redenaar,

Wien Siegenbeek bekeerde!

 

Dat leerde u de goede moeder Natuur,

Die ook de vogels leert zingen!

Haar lessen zijn, voorwaar, niet duur –

Doch schraal haar volgelingen.


Dat leerde u de goede moeder Natuur,

Zij gaf u die tooverklanken....

Beleedig haar nooit, met kunst of kuur,

Blijf steeds háár eeren en danken!

 



O, ’k bid voor u, dat ge immermeer

Moogt praten zoo natuurlijk,

Een kind van onzen lieven Heer

Nooit deftig of figuurlijk.





 Dat ge immer op uw schalke tong, 

Als thans, uw hartje moogt dragen,

Een hartje, zoo rein, zoo frisch, zoo jong,

Schoon – met wat minder vragen!


Dat uit uw kinderlijk gemoed,
Zoo geestig en lieftallig,
Uw taaltje vloeie steeds zoo zoet,
Eenvoudig, oprecht en bevallig!
 
Dat God u beware voor ons valsch,
Ons afgesproken taaltje,
Ook voor den Delftschen tongval – als
Voor ’t Rotterdamsche haaltje!

1857.                                                                                             

        Home.