J.P. HASEBROEK.
Dat men er in de diepte een ganschen hof ziet bloeien,
Een bosch van planten, waaraan purpren bloemen gloeien,
Daartusschen ’t schubbig heer, een ongeteld getal.
’t Is of men met een greep dien tuin beroeren zal…
Of tusschen hem en u geen diepe waatren vloeien!
’t Is louter zinsbedrog. De lusthof moge u boeien,
’t Genot is u ontzegd: de aanschouwing is het al!
Herinn’ring voert u in haar lichte kiel langs stroomen,
Waarin gij op den boôm een gaarde bloeien ziet:
Het zijn de bloemen van uw Jeugd, die u verliet;
’t Zijn ’s levens zoetheên, u na kort genot ontnomen.
Gij wilt ze grijpen,…. wilt ze plukken…. ijdle proef!
Het leven geeft niet weêr, wat eens zijn stroom begroef!
De Liefde.

Des
Heeren Knecht is heengegaan,
Maar ‘t goede werk bleef voortbestaan;
Een boom, die rijklijk vrucht blijft dragen!
Wij plukken daaglijks van die vrucht,
[197] Als we in der heemlen reine lucht
Vaak ziel na ziel herboren zagen,
Gewonnen door het Woord, Gods tolk,
Tot heil van ‘t dierbaar Neerlandsch volk.
Wat
toon rijst daarbij uit ons hart?
Lof voor den Knecht, die werktuig werd?....
Hem dank! — maar eere aan d’ Allerhoogsten,
Die op deez’ diepbedorven aard,
Ons, ‘schepslen in onszelf onwaard,
Zulke Englenscharen hier laat oogsten.
Alleen een harp op Englenwijs
Brengt Gode daarvoor waardig prijs.