JOSEPHUS ALBERTUS ALBERDINCK THIJM.

 

WERELD-WARSCHHEID.

 

 

Sterk, sterk mij, Heer, in ’t hopen op den hemel:

Hier is de helste glans een nevlige avondschemel;

De stoutste poëzij een zinloos, dwaas, geremel;

De reinste liefde een wufte gloed;

O maak mij los van de aard; maar geef mij moed en krachten

’t Verlangde scheidingsuur in ootmoed af te wachten

En uwen wil te doen in voor- en tegenspoed!

 

OPDRACHT AAN JOOST VAN DEN VONDEL.

Aan u mijn werk --- de zes-en-dertig jaren,

Die God mij gaf te sloven in mijn staat.

Drie eeuwen zijn in d’oceaan vervaren

Der eindloosheid, sints in een Keulsche straat

Uw ster verrees, wier glans mij zoû bewaren

Voor laffen weemoed, zou ik, zonder loon,

Dus lang mijn kracht gebruikt, verspild zoû hebben,

En, in den dienst van ’t Godsgetrouwe Schoon,

Niets spon dan broze en licht verstoorde webben.

 

Verslingert aan aeloude treurtooneelen,

Zijt gij, ook gij, uw eigen weg gegaan.

Bij ’t schildren van mijn vele kunstpaneelen,

Zag ‘k steeds uw beeld verheffend voor mij staan.

Mijn laatste kracht wil ik u toebedeelen.

Mijn vader, bid voor mij van God dan af

Wat licht, wat moed, en vijf, zes vruchtbre jaren

Waarin ‘k hergeef, wat ons uw Dichtkunst gaf,

Toorts, die ons bij Gods Waarheid moog bewaren!

 

Als ‘k aan U denk, vult zich mijn oog met tranen.

Drie eeuwen hebben vruchteloos gesmeed

Aan ’t volksmetaal … Wat onze tijd moog wanen,

‘k Zie geen vooruitgang, wat m’ ook kenne en weet!

Charakters zijn ‘t, die nieuwe wegen banen!

Geen fyzika, die volkskracht rijpen doet.

Vraag, bij ;t geloof, voor ons, uw late kindren,

Wat zelfbebsef, war fiereheid op ons bloed!

Het hoofd omhoog, dat wij niet staâg vermindren,

Waar ons ’t Geloof tot Ridders aadlen moet!

 

                                      Home.