JOHANNES KINKER.
.
Kloë
zestien jaar oud,
Sprak: ik zal de min ontvlugten:
Want als men het wel beschouwt,
Doen de minnaars niets dan zuchten.
’t Is of elk zijn’ tijd besteed
In ’t gevoelen van zijn leed.
Waar
ik slechts mijnen oogen wend’ ---
Nergens vind ik twee gelieven
Die niet zuchten. Wat ellend’
Mag hun teedre boezems grieven?
Waarom staag de vreugde ontvlugt
Door hun eindeloos gezucht? ---
Neen, nooit zal de liefde mij
In haar nare kluisters binden:
In die teedre slavernij
Kan ik zoo veel heils niet vinden.
Heeft de min er anders geen? ---
Liever blijf ik dan alleen.
Laats vroeg Lykas
om een zoen . . . .
(’k Moet nog laghen om dat vragen.)
’k Riep: Och Lykas,
neen! --- En toen
Zuchtte hij, en sloeg aan ’t klagen.
ô Wat is het minnen dwaas!
Al zijn antwoord was --- helaas!
Gistren zag ik Lykas
weêr.
’k dacht: ’t is best zijn oog te ontvlugten;
Wijl ik ligt zijn smart vermeêr:
Want hij weende en scheen te zuchten.
’k Vlood zeer schielijk van die plaats:
Alles riep mij daar --- helaas!
.
Zoo
zong Kloë;
--- maar de Min
Hoorde het vermetel zingen
Van die jonge herderin. ---
„’ Zal die stoute schoone dwingen!”
Sprak hij. --- Kloë
maak vrij staat,
Dat hij ’t bij geen zeggen laat.
Eensklaps vloog hij naar beneên.
Kloë
dacht:„Zou hij mij dwingen! ---
’k Blijf gerust met hem alleen.”
Lagchend ging zij voort met zingen:
„’t Is of elk zijn’ tijd besteedt,
„ ’t gevoelen van zijn leed.”
Hij nam ’t meisje bij de hand,
Wees haar lagchend twee gelieven.
Houdt u wat aan dezen kant
Kloë!
(sprak hij) ’t mogt hen grieven.
Veilig moogt gij hen bespiên,
Zoo gij maar niet wordt gezien.”
Och! hoe gretig hoorde zij
Toen het zuchtend teeder hijgen,
Dat, in dees liefkozerij,
Kloë
toeriep, onder ’t zwijgen:
Zie hoe men den tijd besteed,
In de liefde zonder leed.”
Toen
Cupido
haar verliet,
Gloeide hare lieve wangen:
En de gulle vreugd verliet
Kloë’s
hart voor ’t zoet verlangen.
Sedert heeft zij het gezucht
Van haar’ Lykas
nooit ontvlugt.
Triumf!
hij viel, die de aard deed beven,
De
vrijheid trapte met den voet,
Die,
door geweld en list verheven,
Zijn'
zetel vestte in menschenbloed!
't
Verachtlijk Hoofd der volkverzwelgers,
(Zijn
trotsche slaven) maar, weleer,
Het
troetelkind der troonverdelgers
En
vorstenmoorders, plofte neêr!
Van
uit zijn hoogte viel hij neder,
Maar
niet verpletterd door zijn' val.
Zweert,
Volkren! dat zijn trots niet weder
Met
nieuwe kracht verrijzen zal!
Weert,
weert de tweedragt uit uw vanen! -
Verdelgt
het monster, schoon het kermt:
Het
nijlgedrocht weent valsche tranen.
Wee
uwer! - zoo gij u ontfermt.
Zijn
wanhoopskreet dringt door de wolken;
Die
kreet vervangt zijn zegelied.
Hij
vleit om Vrede; maar, ô Volken,
Mistrouwt
den Vrede, dien hij biedt.
Op,
Franken, op! herneemt uw waarde!
Wischt
uit de teeknen uwer schand'!
Ja,
wapent u; maar zuivert de aarde,
Verlost
u van den dwingeland!
Die
taak is de uwe! - Of, wilt ge, als flaven,
Zijn
woesten trots en euvelmoed,
Met
siddrende onderwerping staven?
Den
wreedaard redden met uw bloed?....
Uw
voortgezweepte duizendtallen
Op
nieuw, voor 's vreemdelings belang,
Op
't heer der wrekers aan doen vallen?
Strijdt
dan - maar vindt uw' ondergang!
Reeds
tweemaal heeft hij u verraden;
Verliet
u, reddloos, in 't gevaar:
Den
lauwer uwer heldendaden,
Vlocht
hij zich, vlugtend, in het haar.
Hij
eischt, ten derdemaal, uw telgen.
Welaan!
- Verschijnt in 't strijdperk weêr;
Maar
om zijn' aanhang te verdelgen.
Op,
Franken! velt den dwingland neêr!
Gij
kende uw' pligt, Vrijmetselaren!
In
't onderjukte Nederland,
Bleeft
gij getrouw; bij uwe altaren,
Boodt
ge aan zijn' invloed wederstand.
Juicht,
Eedlen! juicht! - Juicht, menschenvrinden!
Weest
trotsch op uw' getanden rand;
Maar
laat geen Volkshaat u verblinden;
Ontheiligt
nooit den broederband!
Thans
roept u 't heiligst regt ten strijde.
Te
wapen! - 't Geldt der Volkren eer.
Gordt,
Broeders, 't slagzwaard aan uw zijde,
Trekt
op, en keert verwinnend weêr!
Maar
laat geen wrok uw hart bewonen;
De
woestheid zwijg', waar de eer gebiedt!
Vergeet
bij 't strijden, weduw-zonen!
De
kindren uwer moeder niet.
December
1813.