JACOBUS BELLAMY.
AAN DE MEISJES
Jonge meisjes, hoe rampzalig
Is, voor u, die prille schoonheid,
Die, op uw gevulde wangen,
Op uw welgevormde lippen,
En op al uw leden, schittert;
Hoe rampzalig is die schoonheid,
Zoo gij, wars van blanke kuisheid,
Hun gehoor geeft, die u vleïen!
Vliedt, ô Schoonen! vliedt die vleïers!
Luistert gij naar hunne woorden,
Dan zal ras de bloozende onschuld
Uit uw jeugdig harte vluchten.
En, hoe schielijk zal dan de ondeugd
In uw jeugdig harte sluipen!
Neen! ontvliedt die laffe vleïers!
Denkt niet dat zij u beminnen!
Vuige slaven hunner driften,
Volgen zij geen andre wetten,
Dan de wetten hunner driften.
Deugd en onschuld te belaagen,
Al wat heilig is te ontëeren,
Is hun eenigste bedoeling.
Neen, gij Schoonen! kent de Liefde!
Laat een edeldenkend minnaar
U, die drift der groote zielen,
In heur groote kragt, doen voelen
Kent de Liefde! zij is edel;
Deugd en onschuld zijn haar zusters.
Maar, dat nimmer luimende ondeugd,
In den schijn van waare liefde,
U, in haare strikken, vange!
Schielijk zou uw schoon verflenssen.
Schielijk zou de hand der ondeugd
't Merk der woedende begeerten,
Op uw jeugdig aanzicht, drukken!
HET JAWOORD.
Schone, zeide ik tot mijn meisje,
Zeg nu of gij mij bemint?
't Meisje lachte eens, en heur oogjes
Zagen mij al kwijnend aan.
Ik herhaal het, zeg mijn meisje,
Zeg nu, of gij mij bemint?
't Meisje stamelde, en een zuchtje
Glipte van heur lipjes af.
Zeg dan, riep ik onverduldig,
Zeg dan of gij mij bemint?
't Meisje boog het blozend aanzicht
Zachtjes op mijn' schouder neer.
Nu riep ik, van liefde blakend,
Zeg nu, of gij mij bemint?
't Meisje zuchtte — maar, in 't einde,
Zei zij stamelende... Ja!
'k Vong, al kussend, 't lieve woordje
Van heur purpren lipjes af.
En mijn meisje drukte 't zegel
Van heur liefde op mijne mond!