
Gelderland, het bloeijende Gelderland, - hoe veel schoons, hoe veel goeds, hoe veel degelijks levert het niet op. Veel schoons, - wie toch is gevoelloos voor de liefelijke en prachtige natuurtafreelen, die het ons te aanschouwen geeft? - Wie ontkent, dat er bij zijn echte telgen, nog veel goeds, ja, nog veel degelijks te vinden is, schoon ook de weelde onzer dagen, den ouden geest tracht uit te dooven? - Wij niet, die de spranken van dien milden, degelijken geest terug mogen vinden bij onzen braven boerenstand. Bij den Betuwschen landman is het oorspronkelijk Geldersch volkskarakter, niet het minst bewaard gebleven, en wie er aan twijfelt, het reisje van Gerrit Meeuwsen met zien zeun Gijs noar de Amsterdamsche karmis, moge hem van de waarheid onzer stelling overtuigen.
Voor dat wij onzen lezer dit togtje mededeelen waarschuwen wij hem, dat de karakters naar het leven zijn geteekend en dat hij derhalve niet te veel moet schrikken, zoo onze brave Gerrit soms toont nog al gras op de tanden te hebben, of zich wat al te plomp uitdrukt. Dat ligt zoo in zijn aard, en wij mogen dien in onze schets niet verloochenen. De lezer volge ons dan naar de groote keuken van Gerrits aanzienlijke hoeve.

Hei je 't neis1) uut 't derp al geheurd?’ vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te doen. ‘Hei je 't al geheurd, Net, hoe miseroabel gaauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is noagestapt?’
‘Wat zei je,’ riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. ‘Is manke Heintje dood? wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven, en Heintje - da's nou krek zes moanden loater; jong, jong, da's veur Wiege-Mie 'n heel ding! woar mot ze noar toe? ze het niks, geen spier; neejen en breijen kan ze, moar da's al, en ik geleuf niet, dat ze 't nog al te best duut. - Nou stil blagen!’ vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende die hunkerend de roggemeelspap zagen dampen: ‘moeder kan niet alles te geliek; he'k nou ooit van m'en lęven! ze zal zoo um de vieftig zin gewęst, en Wiege-Mie was met St. Jan achttien joaren in 't derp. - Loawe erst bidden Peter, de kienders drammen en sjenken da'k m'n eigen woorden niet heuren kan!’