I. DA COSTA.
HET
PAARD.
Het krijgspaard, in wiens aâm de rode dampen
snuiven
Van d'opgezwollen moed, die hem de borst vervult,
Doet met zijn ijzren hoef de grond rondom hem stuiven,
Daar 't uit te breken poogt in prikklend ongeduld!
Met vaste hand en knie bedwingt hem zijn Berijder,
Tot dat de schelle klank der krijgstrompetten stijgt!
Maar 't teken wordt gehoord! Nu viert de forse Strijder
De teugels aan het dier, dar naar de ontmoeting hijgt!
Het voert zijn meester, als op vleugels, ter viktorie,
Springt tegen kogels in, en over lijken heen,
En, door gehoorzaamheid deelachtig aan de glorie,
Is 't oorlogshafte ros met zijn Berijder één! —
Mijn God! mijn ziel verlangt voor U ten strijd te spoeden!
Maar gaat die zucht te ver, o! tem mijn ongeduld!
Het klemmen van Uw toom zal mij de hoop doen voeden,
Dat Ge in de dag des strijds mijn Ruiter wezen zult!
Op
den Zevenden der dagen heeft de Almachtige geru
van den arbeid Zijner handen, Zijner oogen vreugde en lust!
Aard en hemel stond geschapen, man en gade, dag en nacht!
De eerste Schepping! ’t eerste Menschdom! de eerste Sabbath! — ’t Was
volbracht.
Op
den Zevenden der dagen rustte Jezus in het graf
van den arbeid Zijner ziele, die Hy willend overgaf!
In de zwakheid van den krusidood werkt een nieuwe Scheppingskracht:
’t Is Vervulling! ’t Is Verzoening! ’t Is Verlossing! — ’t Is
volbracht!