EDUARD DOUWES DEKKER.
GRAFSCHRIFTEN
VOOR THORBECKE.
Wandlaar
die me hier begraven ziet,
Als
’t sterven ’n kunst was, dan lag ik hier niet.
De
man die hier begraven leit,
Stak
uit in onuitstekendheid.
Leert
dit van my, o mensen, leeft broederlyk onder elkander:
Partyhaat
is ’n afschuwelyk ding….in ’n tegenstander.
Wie
de juiste maat van m’n grootheid wil weten,
Moet
de lui meten die me naar hun maat hebben gemeten.
Nageslacht,
ik waarschuw je! Alles aangenomen,
Hoort
er ’n brutale courage toe, na my ter-wereld te komen.
Rooverslied.
Met myn zwaard,
Op m'n paard,
En myn helm op het hoofd,
Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,
En vooruit!
Op den weg,
Langs de heg,
Met een houw en een stoot
De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...
Om den buit!
En die buit
Is myn bruid,
My gekocht met m'n staal,
En ik voer, als een veêr, met my mee haar in 't zaal,
Naar de grot...
Als de wind
Zoo gezwind,
Jaag ik voort met myn vracht,
En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,
Wat genot!
En dan weer
Op-en-neer,
Rechts en links door het land,
Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,
Tot vermaak!
En dan voort
Weer gespoord
Naar een nieuw aventuur,
En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,
Om de wraak...
Want de wraak.
Is de taak
Van den koning van 't woud...
Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt...
En banier!
Op, hoezee...
Wie gaat mee?
Nu geen schepsel verschoond,
Nu de mannen gehangen, de vrouwen gehoond...
Voor pleizier!’