Conrad Busken Huet.

De Génestet's uitvaart
Op den sterfdag
Sterft een koning, reeds zijn de voeten
zijns opvolger voor de deur; en de zon gaat niet onder, of de openstaande plaats
is weder ingevuld.
Anders in de koningrijken die niet van deze wereld zijn. In het vorstedom der
kunst ontbreekt de orde der kroonprinsen. Erfopvolging is hier -- reden tot
grooter droefheid -- eene hersenschim. Met den kunstenaar daalt ook zijn talent,
zijn eerstgeborene, ten grave; de vader met den zoon, de stamhouder met den stam.
Wij deklameren niet en zeggen: troosteloos weent in deze dagen de vaderlandsche
Muze bij het graf van De Génestet. Bij ons spreken over dezen jonggestorvene
moet alle onnatuur geweerd. Want hijzelf was de natuurlijkheid in persoon.
Hooger wijding -- en de zijne was onmiskenbaar -- heeft zich nooit bij hem in
woordepraal geopenbaard. Hij was dichter geen rhetorijker. Hoewel zijn rapier
niemand kwetste, was het niettemin geen ritselende schermdegen. Het was een edel
staal, zilverachtig van klank. Van den vroegen morgen zijns levens, nog een
knaap en bijna een kind, tot aan de vroegen avond waarin dat jonge en rijke
leven ontijdig en raadselachtig onderging, steeds is in hem de troubadour den
ridder op zijde gebleven. Doch hoewel bijna vrouwelijke tederheid het gemoed van
den jongen man en dichter vervulde, verwijfdheid was hem vreemd en, met haar,
lafheid, ongezonde pathos, valsch gevoel. Week was hij, niet weekelijk. Tot
liefhebben geschapen, onbekwaam te haten, haatte hij niettemin zoo goed hij kon
alle pedanterie, alle zotheid en gemaakte deftigheid. Het is niet mogelijk
oorspronkelijker te zijn dan hij was, en in zijne verzen is; toch was
originaliteit geenszins zijn afgod. Ook zijne liefste vrienden, wanneer hij hen
zag toegeven aan het zonderlinge en gezochte in de litteratuur, moetsten van hem
horen hoe dwaas hij met Goethe den verwaanden toeleg vond: 'ein Narr zu seyn auf
eigne Hand.' In alle genren, en hetzij hij den vrolijken toon of den weemoedigen
aansloeg, was natuur en waarheid zijne onveranderlijke leus. Zijne kunstmoraal
-- hij vatte haar zamen in twee zinvolle rijmpjes. Een van Beets:
Geen orgeltoon,
Maar uw persoon!
en een van Tollens:
Wie van zoete liedjes houdt,
Ik verkies ze liever zout!
Busken Huet/Joost van den Vondel
Joost van den Vondel Bij
de onthulling van het Standbeeld 1867

Men had moeite noch kosten gespaard ten einde
kostumen en dekoratien zoo frisch en zoo historisch mogelijk te doen schijnen;
en die toeleg was gelukt. Keer op keer waanden de toeschouwers zich verplaatst,
nu in een middeneeuwsch kerkgebouw, dan in een middeneeuwsche slotzaal. O ja,
Badeloch's toilet had meer afwisseling kunnen vertoonen; Aemstel's vrouw had
niet noodig gehad hetzelfde staatsiegewaad, waarin zij de godsdienstoefening had
bijgewoond, gedurenede al de volgende bedrijven en tooneelen aan te houden. Doch
haar zwartsatijnen kleed was nietemin uitmuntend van snede en vertoonde geen
enkel zinstoorend anachronisme. Dat deden ook de helm of het zwaard van heer Gysbrecht
niet, of de mijter van vader Gozewyn, of de plunje van Vosmeer, den spie. En hun
spel? Zij waren geen tooneelisten van beroep. Af en toe zou meer routine sommige
ongelijkmatigheden der voordragt sneller hebben doen vergeten. Om op gunstige
oogenblikken tableau te kunnen maken was het personeel niet talrijk genoeg. Doch
wat zou men van een gezelschap liefhebbers billijkerwijze meer verlangen? van
een kring heeren en dames waaronder zich uit den aard der zaak Talma's noch Rachèl's
bevonden? Het voornaamste was dat al de hoofdpersonen hunne rollen met liefde
vervulden; niet één onder hen Vondel's verzen stelselmatig mishandelde; zeker
gevoel van vereering voor het genie, dat den Gysbrecht dichtte,
onwillekeurig de geheele voorstelling beheerschte.
Home.