BERNHARD TER HAAR.
Veel
hebt ge en diep gevoeld, geworsteld en geleden;
Met
koenen moed den strijd der twijfling door gestreden,
En
duislend stondt gij voor de kloof,
Die
't weten afscheidt van 't geloof;
Maar
– snorde al soms een pijl van strak gespannen koorde –
Uw
innigst zielsgeloof, dat vroeg U toebehoorde,
Werd
nooit geheel des twijfels roof.
Alw zestienjarige schreef hij reeds het volgende gedicht:
Zie, wat verscheidenheid van kleuren
De morgenzon op aard verspreidt
En welk een wolk van balsemgeuren
Het ochtendkoeltje in 't woud verbreidt.
God! overal, bij 't vallend water,
Bij 't ruischend beekje en 't blij geschater
Der vooglen, in uw heiligdom.
'k Zie berg en dal u wierook branden
En thans ontzinkt de lier mijn handen;
De lofzang der Natuur zingt mijn verrukking stom.