Allard Pierson.

MIJ DORST

 

 

En of haar duizend monden loven,

Het is de schoonheid niet,

Die, wordt het floers eens weggeschoven,

Mijn ziel vol geestdrift ziet.

En of haar duizend monden prijzen.

Het is de waarheid niet,

Die, mogen eens de neevlen rijzen

‘De stof wordt van mijn lied.

 

Wat weegt men ‘t zilver uit voor gaven

Wier schit’tring mij niet boeit!

De menigte ijlt, haar dorst te laven,

Waar mij geen laafnis vloeit.

“Mij dorst, mij dorst!” Dunkt and’rer harten

Te scherp diie angelbeet:

Met al zijn diepe foltersmarten,

Blijv’dt mijn levenskreet.

 

TRAHIT SUA QUEMQUE VOLUPTAS

 

 

De mens bepaalt zich niet; hij wordt voortgedreven

Niet als de golf door winden voortgejaagd.

Maar als de vogel, dien den luchtstroom draagt,

Doch zonder eigen aandrift niet zou zweven

 

Niet dat is onze smaad, maar dat wij ’t niet beamen

En reden geven, - reden slechts in schijn!-

Waarom wij zijn, waarom niet anders zijn.

Heeft dan de mens zijn aandrift zich te schamen

 

Zichzelf altoos en onbeschroomd belijden,

Door welke drift het harte wordt ontroerd,

Is wat het zekerst tot die schaamte ons voert.

Die ons van ’t geen ons vreemd is, moet bevrijden.

 

Home.