Amsterdam Oud-West wordt in de
"volksmond" wel de KINKERBUURT genoemd, maar feitelijk
is de naam DICHTERSBUURT beter.
Heel veel straatnamen zijn n.l. vernoemd naar dichters die vroeger al dan niet
in Oud-West hebben gewoond of gewerkt.
Hierna worden de dichters genoemd en getoond met wat summiere
achtergrondinformatie.
Van elke dichter wordt, indien mogelijk, een tweetal gedichten getoond, waardoor
een indruk wordt verkregen van het werk van de dichters.
In
Aemstelredam Oud-West
Gaeven
dichters aen straeten
hun naem
In
Aemstelredam’s de rest
Doet
men dat met andere faem
Op
deze site zijn er van elke dichter slechts twee
En
daer doet U het maer mee.
1. J.A. Alberdink
Thijm - 1820 -1889.
Multatuli schreef in zijn Divagatiën (1870): ‘Ik veroorloof me te wijzen op een man dien ik hooger schat dan de meesten mijner zoogenaamde geestverwanten, op den heer Alberdingk Thijm. Hij is één geheel. Uit elken regel van zijne hand ademt ons een middeleeuwsche wierookgeur te gemoet. Zijn politieke en godsdienstige gevoelens, de architectuur zijner frazen, de eigenaardigheid van zijne bewijsvoering, de keus der onderwerpen die hij behandelt, zijn stijl - hij is namelijk een der zéér weinigen die 'n stijl hebben -, z'n spelling, zijn oordeel over geschiedenis, zijne opvatting van kunst [...] alles is gotisch in dien man, alles consequent, ergo: alles eerlijk, dat is, in hooge zuivere beteekenis: liberaal.’ Een op zíjn beurt liberaal testimonium, dat grootmoedig aanheft met de vernoeming van een geur waarvoor Multatuli minstens even allergisch zal zijn geweest als zijn acht jaar oudere vrouwelijke collega (Mevrouw Bosboom-Toussaint) die, volhardend in haar afkeer, zelfs weigerde de hand van Alberdingk Thijm te drukken.
Valt het met die wierookgeur intussen best mee,
als paladijn van de Romantiek lagen de katholieke middeleeuwen Thijm uiteraard
na aan het hart. Het enige nog van hem in de boekhandel verkrijgbare, in 1851
verschenen, bundeltje met Karolingische verhalen (Carel en Elegast /
De vier Heemskinderen / Willem van Oranje / Floris en Blancefloer) is een
der vele vruchten van deze voorliefde.
voor
meer klik hier.
2. Allard Pierson
- 1831
-1896.

Letterkundige, theoloog en
kunsthistoricus.
Hij kwam uit een aanzienlijke Amsterdamse koopmansfamilie, die tot de Réveilkring
behoorde. Hij werd predikant te Leuven, maar legde dit ambt neer vanwege zijn
modernistische inzichten.
In 1870 werd Pierson hoogleraar theologie te Heidelberg. Pierson was van
1877-1895 hoogleraar in kunstgeschiedenis, esthetica en moderne talen en
letteren te Amsterdam. Hij behoorde tot de fijnzinnigste geesten uit het
Nederlandse culturele leven van de 19de eeuw.
3. Hieronymus van
Alphen - 1746 - 1803.
Velen zullen Hiëronymus van Alphen voornamelijk
kennen om zijn kindergedichten, waarin hij de beroemde regels 'Jantje zag eens
pruimen hangen,/ o! als eieren zo groot' schreef. Paradoxaal genoeg is de
veelzijdige Van Alphen die zich tijdens zijn leven bewust afzijdig hield van
zijn - in eerste instantie zelfs anoniem gepubliceerde - kindergedichten, voor
hedendaagse lezers gereduceerd tot de 'uitvinder' van de Nederlandse
kinderliteratuur. Het grote succes van Proeve van kleine gedigten voor
kinderen (1778) overschaduwde al snel het belang van de auteur als literair
vernieuwer, theoreticus en voorloper van het godsdienstig Réveil.
Van Alphen stond langdurig in hoog maatschappelijk aanzien. Hij begon zijn
loopbaan als advocaat in Utrecht en werd na een aantal jaar procureur-generaal
van het Provinciaal Hof. Later werkte hij als raadpensionaris van Leiden.
Uiteindelijk bereikte Van Alphen de hoge functie van Thesaurier-generaal der
Unie. De laatste acht jaar van zijn leven vervulde hij echter geen
overheidsfunctie meer. In zijn persoonlijk leven werd Van Alphen veelvuldig door
rampspoed getroffen.
Hiëronymus van Alphen publiceerde uiteenlopende werken: dichtbundels, gezangen,
gelegenheidsgedichten, literaire verhandelingen, vertalingen, kindergedichtjes,
juridische stukken en theologische traktaten. In zijn - door veel tijdgenoten
hoog gewaardeerde - poëzie zijn het persoonlijk beleefde christelijk geloof en
vaderlandsliefde de hoofdthema's. Van Alphen haalde zich de woede van zijn
collega-dichters op de hals door in zijn theoretische werken de - naar zijn
mening - ongeïnspireerde, classicistische en zelfgenoegzame Nederlandse
dichtkunst uit zijn tijd aan te vallen.
4. Reijer Anslo -
1626 -
1669.
Noordnederlands dichter (Amsterdam 1626-Perugia 16.5.1669). Familie van Noorse afkomst (Anslo = Oslo). Zijn ouders behoorden tot de gegoede doopsgezinde burgerij van Waterland. Zijn eerste gedichten stonden onder invloed van Hooft en Vondel. Schreef sedert 1645 o.a. gelegenheidspoëzie en bijschriften bij bijbelprenten; ter gelegenheid van de eerste-steenlegging van het Amsterdamse stadhuis Het gekroonde Amsterdam (1648).
Publiceerde in 1649 een fraai classicistisch treurspel over de Bartholomeusnacht: Parysche bruiloft, dat tot 1727 achtmaal werd herdrukt en tot 1715 te Amsterdam op het repertoire bleef. Anslo geeft hierin uiting van zijn afkeer van het politieke machtsdenken van de Fransen dat volgens hem gebaseerd was op de theorieën van Machiavelli. Met dit historisch drama verwijst hij impliciet naar de eigentijdse politieke problematiek rond het koningschap van de minderjarige Lodewijk xiv en de macht van de Italiaanse kardinaal Mazarin.
Op weg naar Rome om daar het jubeljaar 1649 te vieren, maakte hij onderweg aan de Rijn bij het Bingerloch een weemoedig gedicht Afscheit van Amsterdam. In Rome verkeerde hij in de kring van Hollandse kunstenaars en ging er over tot de rooms-katholieke kerk (1654). Ontving in 1656 de tonsuur en de lagere wijdingen en werd in 1666 subdiaken. Zijn opmerkelijkste werk, te Rome geschreven, is De pest tot Napels (1656), een uitvoerig gedicht in alexandrijnen dat op bijna naturalistische wijze, in overwegend anekdotische vorm, de gruwelen van een pestepidemie beschrijft.
5. Nicolaas Beets
- 1814 - 1903
Een van de merkwaardigste Nederlandstalige
auteurs aller tijden was ongetwijfeld Nicolaas Beets. Als jonge student liet hij
eerst van zich horen als romantisch dichter. Enkele jaren later schreef hij --
onder het pseudoniem Hildebrand -- de bundel humoristische verhalen Camera
Obscura.
Nadat hij afstudeerde werd hij dominee, en dan meteen ook maar behoorlijk zwaar
op de hand. Zijn werk wordt, op enkele uitzonderingen als het gedicht Moerbeitoppen
ruischten na, als onleesbaar beschouwd. Hij heeft overigens wel een
belangrijke rol in het literaire leven van de negentiende eeuw gespeeld en
bijvoorbeeld een interessante
inleiding geschreven bij een eigen uitgave van de gedichten van Staring.
6. Jacobus Bellamy
- 1757 - 1787
Aan den hartstochtelijken verbeeldingrijken
Bilderdijk als dichter allerminst verwant en evenmin piëtistisch als van Alphen,
nog minder vroom en sentimenteel als Feith, maar geheel en al zich zelf, streed
toch ook Jacobus Bellamy in de eerste
gelederen voor eene omwenteling op het gebied der dichtkunst in Duitschen geest,
waarbij hij zich theoretisch niet plaatste op Bilderdijk's standpunt en maar ten
halve op dat van Feith, maar zich veeleer aansloot bij Van Alphen, wiens ‘Theorie’,
evenals die van Sulzer, hij, althans in zijne laatste levensjaren, waardeerde en
ijverig bestudeerde.
Hij werd 12 November 1757 te Vlissingen geboren, maar
verloor reeds op vierjarigen leeftijd zijn vader, die zijne moeder in bekrompen
omstandigheden achterliet, zoodat er bij hem weinig kon komen van eene
zorgvuldige opleiding en hij al in 1769 bij een bakker in dienst kwam. Tien jaar
is hij eerst brood- daarna koekebakkers-leerling en knecht geweest, maar in dien
tijd, al van zijn dertiende jaar af, maakte hij verzen, vooral naar het
voorbeeld van Zeeus, toen zijn lievelingsdichter, en ook wel van Cats, Antonides
en Poot, en wat later van Le Francq van Berkhey.
7. Willem
Bilderdijk - 1756 - 1831
Willem Bilderdijk werd geboren op 7 september 1756 aan de Westermarkt te Amsterdam. In een van zijn autobiografische herinneringen schetste hij een onwaarschijnlijk verhaal van zijn vroegrijpe jeugd. Zijn bestaan als wonderkind kende ook een keerzijde. Al vroeg werd hij gekweld door ‘gonzingen in het hoofd van vermoeidheid van denken ontstaan’ die hem het leven ondraaglijk maakten, en hij verlangde reeds op deze leeftijd verlost te worden van de aardse kwellingen. Deze melancholie en dit doodsverlangen zouden hem zijn verdere leven blijven achtervolgen; hij zou er tot vervelens toe van getuigen. In zijn zesde levensjaar werd hij bovendien getroffen door een ongeluk aan de linkervoet, waardoor ontsteking van het beenvlies optrad. De gebrekkige behandeling die volgde had geen succes, zodat hij werd gedwongen binnen te blijven, afgesloten van de buitenwereld en zijn leeftijdgenoten. Ruim tien jaar bracht hij grotendeels binnenskamers door, waar hij zich geheel aan de studie en het schrijven wijdde. Hier legde hij de basis voor zijn later beroemde, fabelachtige kennis.
In 1776 tekende zich voor het eerst zijn dichttalent af. Het Leidse dichtgenootschap Kunst wordt door Arbeid Verkreegen bekroonde zijn vers over de ‘Invloed van de dichtkunst op het staetsbestuur’ met de gouden medaille. Maar zijn ambitie om zich geheel aan de dichtkunst te wijden, werd door zijn strenge vader, die eerst arts en later belastinginspecteur was, niet gesteund. In hetzelfde jaar begon hij, met tegenzin, als boekhouder op het kantoor van zijn vader. In 1780 kon hij, inmiddels bekend als dichter en in literair contact met Rhijnvis Feith en de baronesse De Lannoy, beginnen aan zijn studie rechten te Leiden. Twee jaar later rondde hij deze studie reeds met succes af en vestigde hij zich als advocaat te Den Haag. In 1781 zag zijn bundel met licht erotische verzen, ’Mijn Verlustiging’, met de door hem zelf geëtste vignetten het licht.
Als advocaat verdedigde hij vooral de prinsgezinden, onder andere de legendarische volksvrouw Catharina Mulder, alias Kaat Mossel. De orangistische advocaat Bilderdijk, die in 1785 met Catharina Rebecca Woesthoven in het huwelijk was getreden, koos vaak partij voor de zwaksten. Zonder zijn eigen overtuiging te loochenen, verdedigde hij ook vervolgde patriotten.
In 1795, met de inval van de Franse legers en de vlucht van de Stadhouder naar Engeland, werd hij als advocaat gedwongen de verworvenheden van de Franse revolutie te erkennen. Hij weigerde en werd gedwongen het land te verlaten. Het inmiddels sterk bekoelde huwelijksleven, het diepe leed van drie jonggestorven kinderen (slechts zijn zoon Elius en zijn dochter Louise waren nog in leven), en de vele schuldeisers die hem achtervolgden, deden hem besluiten naar Groningen af te reizen.
Van Groningen reisde hij vervolgens naar Hamburg; in de zomer van 1795 maakte hij een korte reis naar Engeland, waar hij de stadhouderlijke familie bezocht. In september was hij weer in Duitsland, maar vertrok in december wederom naar Londen. Hier ontmoette hij de negentienjarige dochter van de schilder Hendrik Willem Schweickhardt, Katharina Wilhelmina op wie hij hevig verliefd raakte.
Nadat haar vader hem de toegang tot zijn woning had ontzegd, ontstond een vurige correspondentie tussen de twee geliefden. Hoewel de echtscheiding tussen Bilderdijk en zijn vrouw eerst vele jaren later een feit werd, beschouwde hij Katharina Wilhelmina al in het voorjaar van 1797 als zijn nieuwe vrouw. In de zomer vertrok hij naar Brunswijk, waar hij door het geven van lessen in een onwaarschijnlijk groot aantal vakken in zijn onderhoud trachtte te voorzien. Katharina Wilhelmina was hem inmiddels gevolgd maar woonde om begrijpelijke redenen elders, namelijk in Peine, op enkele uren afstand van Brunswijk. Ook in ballingschap werd hij getroffen door bittere ellende. Van de vijf kinderen die Katharina hem in Duitsland schok, stierven er vier op zeer jeugdige leeftijd. De zware tochten van Brunswijk naar Peine waren voor hem, die doorgaans leefde op water en brood, zeer aangrijpend. Pas in 1802, nadat hij officieel van Catharina Rebecca Woesthoven was gescheiden, voegde hij zich definitief bij zijn geliefde. Ze bleven nog vier jaar in Brunswijk. Hij zag kans naast zijn lessen een tiental bundels verzen bij elkaar te dichten.
In 1806 kon de vijftigjarige Bilderdijk in het vaderland terugkeren. Ook hier wachtte hem menig teleurstelling. Het hoogleraarsambt dat voor hem scheen weggelegd, ging aan hem voorbij. Het nieuwe koninkrijk onder Napoleon, door Bilderdijk als monarchie beschouwd, bracht hem echter enige inkomsten. Hij gaf Nederlandse les aan Lodewijk Napoleon en werkte aan de totstandkoming van een koninklijke bibliotheek. Na de kruitramp te Leiden in 1807, waarbij Bilderdijks huis onbewoonbaar was geworden, trok het gezin naar Den Haag en vervolgens naar Amsterdam.
Ondanks de vele gunsten die Lodewijk Napoleon hem verleende, waaronder een kortstondig verblijf op Soestdijk om hem van zijn slechte gezondheid te laten herstellen, voelde Bilderdijk zich nog altijd ziek en ongelukkig. Het gezin werd bovendien getroffen door vele miskramen. Hij wilde niets liever dan hoogleraar worden, maar zijn moeilijke karakter had hem geenszins geliefd gemaakt. Tot overmaat van ramp verloor hij met het vertrek van Lodewijk Napoleon in 1810 ook een belangrijk deel van zijn inkomsten. Ondanks de uiterst productieve periode waarin hij veel werk verrichte voor het 4, enkele vertalingen verzorgde en treurspelen, alsmede het leerdicht De Ziekte der Geleerden en het onvoltooid gebleven epos De Ondergang der Eerste Waereld schreef, leefde hij van droog brood en gerstewater en zocht hij veelvuldig zijn toevlucht in het gebruik van opium.
Inmiddels was het enthousiasme voor de Fransen omgeslagen in diepe haat. Gelukkig beschouwde de nieuwe monarch Willem I, Bilderdijk nog steeds als een trouwe volgeling van het Oranjehuis. Hij verleende hem een jaargeld maar kon hem niet aan het begeerde professoraat helpen. In 1817 vertrok Bilderdijk wederom naar Leiden, waar hij tien jaar onder slechte omstandigheden zou verblijven. Als privaatdocent gaf hij les in de vaderlandse geschiedenis, waardoor hij grote politieke en religieuze invloed uitoefende. Zijn voornaamste leerling Isaäc da Costa publiceerde in 1823 het geruchtmakende en geheel in Bilderdijkiaanse trant geschreven De Bezwaren tegen den Geest der Eeuw. Bilderdijks reactionaire denkbeelden leidden tot heftige polemieken, die hem meer vijanden dan vrienden opleverden. Verbitterd vertrok hij in 1827 uit Leiden, waar hij ruim vijfentwintig dichtbundels en talloze verhandelingen en vertalingen had geschreven, naar Haarlem. Hier stierf in 1830 zijn geliefde vrouw en bleef hij achter met zijn zoon Lodewijk.
Op 18 december 1831 stierf de dichter dan op vijfenzeventigjarige leeftijd.
8. E.A. Borger -
1784 - 1820
Elias Anne Borger (Joure
26.II.1784 - Leiden 12.X.1820) was van arme afkomst. Hij werd financieel
geholpen om te kunnen studeren. In 1807 promoveerde hij te Leiden in de
theologie. Daarna werd hij lector, in 1811 hoogleraar exegese, en in 1817
hoogleraar geschiedenis en klassieke letteren.
Hij was een zeer begaafd Latijns en Nederlands redenaar; hij werd als dichter
vooral bekend door zijn tragisch-autobiografische
ode Aan den Rhijn in de lente van het jaar 1820,
geschreven na de dood van zijn tweede echtgenote en hun pasgeboren kind, waarvan
vertalingen in het Frans, Duits, Engels, Fries en Latijn zijn verschenen. Zijn Dichterlijke
nalatenschap werd in 1836 gedrukt.
9. A.L.G. Bosboom
Toussaint - 1812 - 1886
Anna Louisa Geertruyda Bosboom-Toussaint,
Nederlandse romanschrijfster (Alkmaar 16.9.1812 - Den
Haag 13.4.1886). Haar vader, apotheker, en haar moeder stamden af van
Franse hugenoten. Van haar achtste tot haar achttiende jaar werd ze opgevoed
door haar grootmoeder te Harlingen. In 1833 behaalde
ze de akte van ‘schoolhouderes’ en was daarna gouvernante te Hoorn
tot 1835. Terug in Alkmaar vond zij geen voldoening meer in het onderwijzen.
In 1837 debuteerde Toussaint met de novelle Almagro, die sterk beïnvloed
werd door Schillers Die Räuber. In het najaar van 1841 verloofde zij
zich met R.C. Bakhuizen van den Brink. Na diens gedwongen vertrek naar het
buitenland (oktober 1843) maakte ze een moeilijke tijd door en in 1846 verbrak
ze de verloving (Bakhuizen van den Brink had inmiddels kennis gemaakt met Julie
Simon). In 1851 trouwde zij met de Haagse schilder Johannes Bosboom (1817-1891),
met wie ze in Den Haag ging wonen.
Bosboom-Toussaints eerste historische roman was De Graaf van Devonshire.
Romantische episode uit de jeugd van Elisabeth Tudor (1838); zij had eerder
geprobeerd van deze stof een drama te maken. De invloed van Walter Scott en
Franse romantici op haar werk was groot. Na veel studie verscheen in 1840 haar
eerste vaderlandse historische roman: Het Huis Lauernesse. Vele
belangrijke historische romans en novellen volgden. De Leycestertrilogie is haar
voornaamste werk. Als historische-romanschrijfster ging ze gewoonlijk haar eigen
weg: de bemoeizucht en de kritiek van haar vrienden Potgieter en Busken Huet (o.a.
bij de totstandkoming van De verrassing van Hoey in 1595 (1866) ervoer
zij soms als drukkend.
Bosboom-Toussaint schreef ook enkele zedenromans, o.a. het zeer populair
geworden Majoor Frans. Novelle (1875). Deze roman, waarin de
vrouwenemancipatie een belangrijke rol speelt, verscheen oorspronkelijk in 1874
in het tijdschrift Nederland, in de vorm van brieven, eigenlijk
dagboekuittreksels. Het boek werd vertaald in het Frans (1875), Zweeds (1876),
Duits (1880) en Engels (1885). In 1893 verscheen een toneelbewerking.
Bosboom-Toussaint is een belangrijke figuur in de Nederlandse romantiek. Zij
onderging de invloed van vele binnen- en buitenlandse romantici (o.a. Scott,
Hugo, Schiller, Drost, Van Lennep). Werd haar eerste werk soms gekenmerkt door
schokkende gebeurtenissen en emoties, haar latere romans geven meer blijk van
verfijnd psychologisch inzicht en religieuze inleving. In de nationale romantiek
neemt ze een enigszins afzonderlijke plaats in, omdat ze bij uitstek de
christelijk-evangelische richting vertegenwoordigt. Ze stond als onafhankelijk
schrijfster buiten de antirevolutionaire partij van haar vriend Groen van
Prinsterer, maar als gelovig christin voelde zij ook niet voor het liberalisme
van Potgieter c.s. In vele van haar werken is zij een exponent van het Reveil.
De figuur van de predikant Gideon Florensz is haar meest karakteristieke
schepping. Hij is de belichaming van haar zachtmoedige maar beslist christelijke
levensideaal. Als bezwaar tegen haar werk wordt vaak de grote uitvoerigheid in
de beschrijving aangevoerd - een gevaar dat zij zelf gevoeld heeft. Het is de
reden waarom zij Raymond de schrijnwerker (1880) in dialoogvorm schreef.
Ook opvallend zijn de ingewikkelde zinsstructuur, de vaak retorische stijl, de
opzettelijk archaïserende en daardoor soms anachronistische taal en de neiging
het verhaal te onderbreken met een beschouwing van eigen opvattingen. Bosboom-Toussaint
heeft gevoel voor het fantastische, ridderlijke en avontuurlijke. Busken Huet
schreef over haar: ‘Zij heeft eene groote verbeeldingskracht en groote
gevoelens.’ Haar historische voorstudies waren diepgaand. Niemand minder dan
Fruin schreef over haar Leycesterromans: ‘Niemand zal het ondernemen over
dezen tijd van Leycester te schrijven zonder eerst uwe romans gelezen en
overdacht te hebben.’
10. Gerard Brandt
- 1626 - 1685
Noordnederlands dichter en prozaschrijver
(Amsterdam 25.7.1626-Rotterdam 12.10.1685). Aanvankelijk horlogemaker en
werktuigkundige als zijn vader, die betrekkingen onderhield met Descartes; sinds
1648 student in de theologie aan het Remonstrants Seminarium te Amsterdam, in
1652 predikant te Nieuwkoop, 1660 te Hoorn, 1667 te Amsterdam.
Als dichter debuteerde hij in 1643 met een minnedicht in Amsteldamsche
minnezuchjens. Algemene bekendheid verkreeg hij met het senecaanse
gruwelstuk De veinzende Torquatus, waarin dezelfde stof is verwerkt als
in Shakespeares Hamlet (1644, 1ste opvoering in de Amsterdamse Schouwburg
1645). Een eerste gedichtenbundel, voornamelijk bestaande uit middelmatige
liefdespoëzie en gelegenheidsgedichten, verscheen in 1649. Merkwaardig is
daarin Brandts theoretische verdediging en praktische beoefening van het
rijmloze vers. In 1665 volgde een bundel Stichtelijke gedichten, waarin
hij zich doet kennen als een overtuigd voorstander van godsdienstige
verdraagzaamheid. Na zijn dood werden beide bundels, vermeerderd met
onuitgegeven en later verschenen gedichten, herdrukt als Poezy (1688,
1719 en 1725-1727). Onbeslist blijft Brandts aandeel in de uitgave van Vondels
hekeldichten als Poesy (dl. 2, 1647) met de beruchte voorrede door P. (=
Protestant), en van de bloemlezing Verscheidene Nederduytsche gedichten.
11. G.A. Bredero -
1585 - 1618
Gerbrand Adriaenszoon Bredero heeft een kort maar
bewogen leven gehad. Hij was zelf waarschijnlijk de beste illustratie bij het
gezegde dat hij toevoegde aan de Nederlandse taal: 'Het kan verkeren.'
Hoewel hij op het romantische aspect weinig geluk had, hij trouwde niet en
kreeg geen kinderen, was hij als dichter en toneelschrijver zeer succesvol. De
meeste toneelwerken van Bredero verschenen tijdens zijn leven meerdere malen in
druk, en vaak werden ze ook op het toneel gebracht door rederijkerskamer
D'Eglentier of later door de Nederduytsche Academie. Zijn bekendste werken zijn
waarschijnlijk Spaanschen Brabander Ierolimo en de Klucht van de
Koe; de eerste titel verschijnt nog regelmatig op boekenlijsten van
eindexamenleerlingen.
Zijn toneelwerk was nauw verbonden met de realiteit: hij situeerde veel van zijn
werk in zijn eigen geboorte- en woonplaats Amsterdam. Bredero hield niet van
hoogdravende taal en ingewikkelde constructies: zijn personages spraken normaal,
volks Nederlands.
Bredero begon zijn carrière als schrijver bij D'Eglentier, de rederijkerskamer
die gevestigd was aan de Nes, waar ook Bredero's geboortehuis stond. Een aantal
jaar na zijn toetreding tot de kamer, ontstonden er strubbelingen en scheidde
een groep auteurs zich af van D'Eglentier. Onder leiding van Samuel Coster
richtten zij de Nederduytsche Acadamie op. Ook Bredero volgde Coster en hij
verliet D'Eglentier.
In zijn gedichten stonden religie en liefde centraal, maar Bredero goot ook veel
betogende tekst in dichtvorm: het gedicht 'Den broeders in liefde bloeyende' is
een berijmd betoog dat zich keerde tegen de het beleid van D'Eglentier,
waarvan Bredero toen nog deel uitmaakte.
Zijn belangrijkste dichtwerk is het Groot Lied-boeck, dat in 1622
postuum werd uitgebracht door Cornelis vander Plasse. Ook de Nederduytsche
Rijmen of Poëmata zijn belangrijk: in dit verzamelwerk werden in
1632 verschillende brieven en gedichten van Bredero voor het eerst gepubliceerd.
11a. Conrad Busken Huet. 1826 -
1886
Conrad Busken Huet stamt uit een oude Hugenoten-familie. Na een studie theologie in Leiden is hij zelf ook een aantal jaar predikant geweest aan de Waalse kerk in Haarlem. Daarna was hij werkzaam als redacteur van verschillende kranten en culturele bladen (De Gids, de Opregte Haarlemsche Courant, Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië, enz.)
Busken Huet is zeer produktief geweest en heeft over een groot aantal onderwerpen geschreven: over theologie (Brieven over den Bijbel), over cultuurgeschiedenis (Het land van Rubens, Het land van Rembrandt) en vooral over literatuur. Daarnaast heeft hij onder andere ook een roman gepubliceerd (Lidewyde) en, als student, enkele schetsen.
Het werk van Busken Huet werd in zijn tijd door veel mensen als zeer provocerend en negatief gezien. Zijn artikelen over Bilderdijk, de Bijbel en Vondel bijvoorbeeld werden beschouwd als schokkend kritisch. Als je ze nu leest, valt juist op hoe evenwichtig zijn oordeel juist was. Daarnaast wordt je getroffen door zijn prachtige stijl.
12. I. da Costa -
1798 - 1860.
Isaac da Costa (1798-1860) werd in
1798 in Amsterdam geboren. Hij was een bekend Nederlands letterkundige. Onder
invloed van Willem Bilderdijk bekeerde hij zich tot het Christendom. Kort na
zijn bekering schreef hij "Bezwaren tegen de geest der eeuw". Hij
behoorde tot de centrale figuren van de Reveilbeweging.
Hij kwam voort uit een vooraanstaande
Portugees-joodse koopmansfamilie. Zijn vader, Daniël Haim da Costa, stamde in
rechte lijn af van Joseph da Costa, een jongere broer van de beroemde Uriël.
Zijn vader was op 26 februari 1797 getrouwd met Rebecca Ricardo. Al voor zijn
huwelijk behoorde Daniël tot de bestuurders van "Ets Haim". Zijn hele
leven is hij binnen de Amsterdamse sefardische gemeenschap een vooraanstaande
persoonlijkheid geweest. De jonge Isaac ontving dan ook een joodse opvoeding.
Hoewel vader Daniël uiterlijk de sefardische gebruiken volgde, was hij niet
bepaald orthodox.
De tijd waarin Isaac opgroeide was voor joden niet ongunstig. Sinds de
burgerlijke gelijkstelling van 1796 waren de perspectieven voor joden in
maatschappelijk opzicht aanmerkelijk verbeterd. Zo kon Isaac da Costa door
toedoen van de emancipatie worden opgeleid tot advocaat. Vanaf 1806 bezocht
Isaac de Latijnse school. Op 13-jarige leeftijd, in 1811, verliet hij deze
school met een oratie over de twaalf werken van Hercules. In hetzelfde jaar werd
hij als student ingeschreven aan het Amsterdamse Athenaeum, waar hij onder
andere de colleges van professor David Jacop van Lennep volgde. Al snel behoorde
hij tot de intieme kring van mensen die wekelijks ten huize van professor Van
Lennep bijeenkwamen. Tot deze kring behoorde onder andere ook de bekende
schrijver Jacob Geel en de Leidse oriëntalist Hendrik Hamaker.
Vanaf 1816 studeerde Isaac rechten in Leiden, waar hij in 1818 promoveerde. In
1821 volgde een promotie in de letteren en wijsbegeerte. Via Mozes Lemans
(1785-1832), van wie Isaac in zijn jonge jaren Hebreeuwse les kreeg, kwam hij in
contact met de dichter Willem Bilderdijk. Diens invloed op zijn studenten,
waartoe behalve Isaac da Costa ook Abraham Capadose behoorde, was enorm groot.
Zowel Capadose als Da Costa bekeerden zich onder invloed van deze reactionaire
en romantische dichter tot het Christendom. Da Costa, zijn vrouw en Abraham
Capadose lieten zich in 1822 in de Pieterskerk in Leiden dopen. Kort na zijn
bekering schreef hij zijn bekende "Bezwaren tegen de Geest der eeuw"
(1823). Hierin fulmineerde hij tegen de zijns inziens revolutionaire en 'ongodistische'
tendensen van zijn tijd. Hij propageerde in dit werk een terugkeer naar een
behoudend orthodox calvinisme. Da Costa behoorde, samen met mensen als Willem
Bilderdijk, Willem de Clercq en Abraham Capadose, tot de centrale figuren van de
Nederlandse Réveilbeweging. Uit deze beweging is later de Anti-Revolutionaire
Partij voortgekomen.
Ondanks zijn bekering tot het christendom bleef Da Costa zijn hele leven
interesse houden voor het jodendom. Zo publiceerde hij in 1836 een tweetal
artikelen over de joden in Spanje en Portugal. In 1848 gevolgd door "Israel
en de volken", waarin hij de geschiedenis van de joden beschrijft vanaf
bijbelse tijden tot het midden van de 19e eeuw. Da Costa overleed in de nacht
van zaterdag 28 april op zondag 29 april 1860 overleed in zijn geboortestad
Amsterdam.
In de laatste wereldoorlog werden door de Duitse bezetting de straatnamen
gewijzigd omdat I.da Costa joods was.
Zo werd de Da Costakade de Goeverneurskade, het Da Costaplein werd het van
Koetsveldplein en de Da Costastraat werd de Van Tienhovenstraat. Na de oorlog is
alles weer hersteld.
12a.

Jacob(us) Jan Cremer
1.9.1827 – 5.6.1880 was een Nederlandse prozaschrijver. Hij schreef naast de
bestsellers "Over-Betuwsche novellen" en " Nieuwe Over-Betuwsche
novellen" ook enkele romans, gedichten en toneelstukken. De novellen spelen
zich met name af in het Betuwse Driel en zijn in het Betuws dialect geschreven.
Zijn
betrokkenheid bij het toneel was groot, waardoor in Haarlem er nog steeds een
toneelgezelschap met zijn naam is. Zijn boek Fabriekskinderen, maar ook zijn persoonlijke bemoeiingen hebben
een belangrijke invloed gehad bij de besluitvorming om kinderarbeid af te
schaffen.
Als
schrijver en voordrachtskunstenaar was hij de eerste auteur in Nederland die
volledig van zijn werk kon leven.
Enkele
andere werken zijn: Toneelspeelers,
Anna Rooze, Hanna de Freule.
J.J. Cremer was tevens in zijn jonge jaren tekenaar, schilder.
13. Agatha Deken -
1741 - 1804.
Agatha (Aagje) Deken wordt geboren
op 10 december 1741 in Amstelveen en overlijdt op 14 november 1804 in ’s
Gravenhage. Al op jonge leeftijd raakt Aagje haar ouders kwijt. Ze wordt
opgevoed in het weeshuis van de Collegianten in Amsterdam en gaat werken voor de
familie Bosch. Ze raakt bevriend met het ziekelijke dochtertje, Maria Bosch. Met
haar schrijft ze in 1775 de dichtbundel Stichtelijke gedichten.
voor meer klik hier.
14. Eduard Douwes
Dekker - 1820 - 1887
Multatuli is het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker (1820-1887). De voormalig Indisch ambtenaar keerde in 1856 gedesillusioneerd naar Europa terug na een ambtelijke carrière van 18 jaar. De behandeling van de inlanders door hun eigen bestuurders en de Nederlanders had hem zodanig tegen de borst gestuit, dat hij na een ambtelijk conflict ontslag had genomen. Zijn wederwaardigheden stelde hij in zijn roman Max Havelaar te boek. Het verscheen in 1860 en Multatuli was in één klap een bekende naam. Aangemoedigd door dit succes besloot Multatuli door te gaan met schrijven. Hij werd tot een soort nationaal geweten en emancipatiebewegingen als de vrijdenkers, socialisten en anarchisten sloten hem in de armen. Multatuli zou zijn schrijverscarrière net zolang volhouden als zijn ambtelijke carrière, namelijk 18 jaar. Toen besloot hij, opnieuw gedesillusioneerd, er het zwijgen toe te doen en nam hij de wijk naar Duitsland. In februari 1887 overleed hij daar.
Multatuli werd als
schrijver bewonderd in heel Europa, maar desondanks kon hij niet leven van zijn
inkomen als schrijver alleen. Vandaar dat Multatuli op verschillende manieren 'bijkluste'.
Voor de landelijke krant Het Handelsblad was Multatuli een paar jaar lang
correspondent in Zwitserland. Regelmatig stuurde Multatuli bijdragen naar
Nederland. Vaak citeerde hij daarbij uit de Zwitserse krant 'Zuricher Beobachter'.
In deze krant vond de Nederlandse schrijver intellectuele bijdragen die de
Zwitsere kijk op bepaalde politieke en levensbeschouwelijke kwesties
vertegenwoordigden.
Het Handelsblad plaatste deze bijdragen van hun correspondent ter plaatse zonder
veel problemen. Daar kwam een einde aan toen de hoofdredacteur van Het
Handelsblad een keer in Zurich moest zijn. Toen hij daar een exemplaar wilde
kopen van die geweldige krant waaruit Multatuli zo graag citeerde, ontdekte hij
dat de Zuricher Beobachter helemaal niet bestond.
Multatuli moest bekennen dat hij alle stukken uit de Zuricher Beobachter
helemaal zelf bedacht had.
15. P.A. de
Génestet - 1829 -
1869
Petrus Augustus de Génestet werd op 21 november
1829 te Amsterdam geboren en werd na de dood van zijn ouders door zijn oom
opgevoed. Hij studeerde theologie aan de Universiteit van Amsterdam en werd in
1852 dominee in Delft. In hetzelfde jaar trouwde hij met Henriette
Bienfait. Ze kregen samen twee kinderen. In 1859 stierven zijn vrouw en een
kind, beiden aan tbc gestorven en moest hij wegens zijn zwakke gezondheid
ontslag nemen als predikant; reeds twee jaar later bracht dezelfde ziekte hem in
het graf.
Godsdienst is een belangrijk thema in zijn gedichten. De Génestet is vrijzinnig–protestant,
maar hij neemt even scherp stelling tegen de oppervlakkige vrijzinnigheid als
tegen de stijle onverdraagzaamheid. Dit is goed te zien in de lekedichtjes,
waarin hij zijn standpunt tussen de twee stromingen bepaald. Maar ook in zijn
anderen gedichten speelt de godsdienst vaak een rol, al is het maar op de
achtergrond. Naast de verhalende dichtkunst zoals het romantische en geestige Fantasio
en De St–Nicolaasavond,
met de bekende satire op de jaarlijkse lintjesregen, vinden wij bij hem zuivere
lyriek, waarin zijn geluk (bijvoorbeeld Anni’s
taal over zijn dochtertje) , zijn vroomheid en zijn smart weerspiegeld
vinden.
16. Bernhard ter
Haar - 1806 - 1880
Domineedichter uit de school van Tollens. Maakte
naam met een berijmd verhaal Joannes en Theagenes, 1838; Theagenes, de
leerling van de apostel, wordt rover, doch ook weer bekeerd. Christelijke
romantiek. Daarop volgden een groot aantal godsdienstige en huiselijke gedichten.
Fel is zijn gedicht Aan een Apostel des Ongeloofs, 1841, d.i. aan
Strauss, de man van de moderne bijbelkritiek, die voor een verleider wordt
uitgemaakt.
Het meest bekend werd zijn dichterlijk verhaal Huibert en Klaartje, 1843.
Ter Haar was nu predikant te Amsterdam en werd lid v.d. redactie van De Gids,
maar reeds in 1847 nam hij ontslag uit die liberale kring. In 1846 kwam n.l. het
grote verhaal van de schipbreuk op de Sint-Paulusrots, navolging van
Tollens, vol rhetoriek. Potgieter kwam in De Gids tegen Ter Haar op;
Alberdingk Thijm verdedigde hem, en.... er volgden 7 herdrukken in de loop der
jaren.
Ter Haar was de opsteller van het verzoekschrift, dat aan de Koning met 53000
handtekeningen werd aangeboden tijdens de Aprilbeweging van 1853. In 1850 had
hij een gedicht geschreven tegen Het Communisme onzer dagen; in 1866
kwamen er verzen tegen Ernest Renan. Hij was in 1854 hoogleraar geworden
te Utrecht. Van datzelfde jaar is Eliza's Vlucht; de Negerhut was
van 1851. Een ander, zeer geprezen romantisch berijmd verhaal is: Abd-el-Kader,
1849.
Hij werd begraven op het kerkhof te Rozendaal, dat hijzelf bezongen had bij de
vroege dood van De Genestet.
Als prozaschrijver: Gesch. der Kerkhervorming, 1845, door 't Haags
Genootschap met goud bekroond.
17. J.P. Hasebroek
- 1812 - 1896.
J.P. Hasebroek leefde van 6 november 1812 tot 29
maart 1896.
Hij was Nederlands Hervormd Predikant, letterkundige en prozaïst.
In 1836 werd ds. J.P. Hasebroek predikant in
Heiloo en betrok hij, zoals hij het zelf omschreef ‘een lief, net
huisjen, achter het groen van drie lindeboomen wegschuilende en door een
grasperk, dat het speelveld der dorpsjeugd is, van den grooten weg naar
Alkmaar afgescheiden’. Dat ‘huisjen’ is het enkele keren gerestaureerde en
uitgebreide witte pand aan de overkant van de Kennemerstraatweg; vanaf 1982 in
gebruik als oudheidkamer. Toen dominee-dichter Hasebroek zich in Heiloo vestigde,
was hij net in Leiden afgestudeerd als literator. Hij bewoonde de pastorie
(‘De Oude Pastory’) samen met zijn zuster Betsy, schrijfster van romans, die
was meegekomen om het huishouden te doen. Zijn woning werd al spoedig een
ontmoetingsplaats voor dichters als Nicolaas Beets (1814-1903, onder het
pseudoniem Hildebrand bekend als auteur van de Camera Obscura), A.L.G. Toussaint
(de latere Truitje Bosboom-Toussaint), Jacob van Lennep, W.J. Hofdijk en E.J.
Potgieter.
De groep jonge schrijvers/dichters ging de geschiedenis in als ‘De kring van
Heiloo’. Die ‘kring’ had geen direct literair doel. Het ging om
onregelmatige, toevallige bijeenkomsten van jonge mensen, literair begaafd of
gegrepen door de toen moderne richting der romantiek. Nicolaas Beets, in
1839 als theoloog summa cum laude gepromoveerd, nam het Hasebroek kwalijk dat
hij maar in Heiloo bleef hangen en niet opschoof voor hem (al vond schoonmoeder
Van Foreest, wonend op de Nijenburg in Heiloo, dit een veel te nederige plaats
voor het Leidse genie). Beets vergat echter dat Hasebroek geen invloed kon
uitoefenen op een beroeping elders. Uiteindelijk werd Beets in 1840 predikant in
Heemstede, terwijl Hasebroek in 1843 naar Breda vertrok, waarmee het einde van
de ‘Kring van Heiloo’ werd bezegeld.
18. J.F. Helmers -
1767 - 1813.
Net als zijn zwager Loots (Cornelis, 1765 —
1834), was JAN FREDERIK HELMERS een man van de Verlichting, voorstander
van verdraagzaamheid en vooruitgang. Dat bleek reeds in 1790, toen hij in een
groot dichtwerk Socrates het slachtoffer liet worden van bijgeloof, en de Griek
zag als de verpersoonlijking van eigen godsdienstige en wijsgerige denkbeelden
à la Voltaire. Anders echter dan Loots, die van jongs af patriottisch gezind
was en eerst later de ellende, door de revolutie veroorzaakt, betreurde, zag
Helmers in de oude republiek het waar. achtige Nederland, welks val hij in 1795
betreurde in een Lijkzang op het Graf van Nederland: onder de leuze van vrijheid
hebben heerszuchtigen uit de heffe des volks het Nederlandse volk misleid.
Blijft hij al geloven in de Verlichting, bovenal vervult hem de ellendige
toestand van het vaderland. Maar naarmate de actuele toestand hem somberder
stemt, naar die mate ook verdiept hij zich, als romanticus avant Ie date, in het
nationale verleden, om daar voor zich en zijn volk troost en steun voor
gedachten- en gevoelsleven te zoeken. Als resultaat van meer dan tien jaar
studie en arbeid, verschijnt in 1812 het gedicht in zes zangen De Hollandsche
Natie. De tijd der mateloze zelfoverschatting was sinds lang voorbij. Het
laatste decennium der achttiende eeuw had een zelfinkeer, een onderzoek naar
eigen waarde en zelfs een aanklacht tegen eigen onwaarde gebracht. Het is tegen
deze geest van kleinmoedigheid en moedeloosheid, die in de aanvang der
negentiende eeuw ons volk beheerste, dat Helmers reageert door uitvoerig te
wijzen op het glorieus verleden en het roemrijk voorgeslacht. jammer genoeg is
dit gedicht — enigermate te vergelijken met Arthur van Schendels De
Nederlanden, van 1946 — geschreven in de conventionele, „brommende”
dichtertaal dier jaren. Men kan er breedheid noch kracht aan ontzeggen, maar men
kan het als poëzie niet zeer bewonderen. Bepaalde gebeurtenissen zijn zeer
breedvoerig berijmd — het zijn de best leesbare onderdelen van het gedicht
—, andere worden dor en onbewogen opgesomd; lofhymnen op Nederlandse
grootheden worden afgewisseld met vervloekingen van buitenlanders. Zo weid het
geheel een vrij rhetorische, compositorisch slecht sluitende, onvolledige
cultuurgeschiedenis op rijm, geschreven met meer bewondering dan begrip, waarin
blijvende waarde slechts hebben de passages, waar het opgewonden gepraat over de
dingen wijkt voor het beeld der dingen zelf. Het geheel bewondert men dan ook
minder als poëzie dan als daad van verzet. „Illegaal” was dit gedicht in
hoge mate; de censuur schrapte er stevig in, hetgeen niet afdoende bleek: toen
echter de politie in Februari 1813 met een keizerlijk bevel arriveerde om
Helmers gevangen te nemen en naar Parijs te doen opzenden, kon Loots haar
slechts wijzen op het lijk van zijn zojuist gestorven zwager.
Het nageslacht eert Helmers minder om zijn dichterlijke qualiteiten dan om zijn
moed en zijn hoge opvatting van het dichterschap. In een, tijd, toen spreken
iemand op verbanning of de dood kon komen staan, heeft hij niet nagelaten tot
zijn volk te spreken in de taal die men toen verstond, om aan te moedigen, te
troosten en op te wekken. En hij inspireerde het nageslacht: de vierde zang der
Hollandsche Natie bevat de kern van Tollens’ Overwintering op Nova Zembla;
mogelijk is Multatuli’s Saïdjah en Adinda geïnspireerd op de episode van
Adeka en Afron, en in Potgieters gedicht op Holland is synthetisch het essentiële
van Helmers’ Eerste Zang uitgedrukt. Maar ook de hedendaagse burger herinnert
zich althans de legendarische roem van Helmer Hollandsche Natie.
19. J.P. Heye -
1809 -
1876
Jan Pieter Heye leefde van 1 maart 1809 tot 24 februari 1876.
Hij was arts, politicus en dichter. Hij was
oprichter van de "Vereniging voor Ziekenverpleging".
Hij was een Nederlande arts die echter vooral
bekend is geworden om zijn inzet voor dichtkunst
en muziek.
Hij trouwde in1825 met Maria Margaretha van Voorst.
Hij werd in 1809 geboren in Amsterdam , waar hij ook medicijnen ging studeren en
in 1832 promoveerde. Hij vestigde zich daar ook als arts.
In 1842 trad hij toe tot het hoofdbestuur van de Maatschappij van de Toonkunst.
In 1864 richtte hij de koraalvereniging op. Deze werd al na een paar maanden
veranderd in een algemene koorvereniging. In 1865 richtte hij de vereniging voor
Nederlandse Muziekgeschiedenis op.
Hij heeft zelf ook bijgedragen aan vele liederen. Hij trachtte daarbij een brede
laag van het volk te bereiken. Zo schreef hij kinderliederen, waarvan een aantal
ook nu nog bekend is. Voorbeelden hiervan zijn: “In het groene dal, in het
stille dal”, Zie de maan schijnt door de bomen"
“Een karretje op den zandweg reed” en de "Zilvervloot"
(over Piet Hein).
Ook heeft hij vele geestelijke liederen geschreven. Vooral heeft hij vele
zogenaamde koralen
op zijn naam staan. Koralen beschouwde hij als liederen van maximaal vier
coupletten waarin één enkele hoofdgedachte of gemoedstoestand voorkomt. In het
Liedboek
voor de kerken staat nog maar één lied van zijn hand: Gezang 464
("Alle volken, looft de Here"). Hij trachtte met zijn liederen een
brug te slaan tussen protestantse,
Rooms-katholieke
en joodse
kerkmuziek.
Zijn graf bevindt zich in het dorpje Abbenes,
waar hij regelmatig bij vrienden verbleef. In het dorp staat een boerderij met
de naam "Heye's Vlaggenlied". Ook zijn er in het dorp straten vernoemd
naar hemzelf (Dr. Heijelaan), zijn vrouw (Maria Margarethalaan), zijn dochter
(Cornelia Sophialaan) en zijn schoonvader Ds. I.I. van Voorst (Van Voorstlaan).
20. Constantijn
Huygens - 1608 - 1687.
(geb. 4.9.1596 in 's-Gravenhage -
gest. 28.3.1687 in 's-Gravenhage), Nederlands
dichter.
Constantijn Huygens is één van de intelligentste schrijvers
uit de gouden zeventiende eeuw in Nederland.
Huygens studeerde rechten en werd na een diplomatieke loopbaan in binnen- en
buitenland in 1625 secretaris van de stadhouders van Oranje. Hij kwam in contact
met de grote denkers van zijn tijd, o.a. met René Descartes en John Donne.
Huygens was vooral bekend als dichter. In zijn gedichten, zowel in het Latijn
als in het Nederlands
geschreven, hekelde hij vaak de mode en de gebruiken uit zijn tijd in
spitse bewoordingen. Enkele bekende werken van die aard zijn 'Batava Tempe, dat
is 't Voorhout
van 's-Gravenhage' (1621) en 'Zede-printen' (1623-1624). Het bekendste
dichtwerk van huygens is ongetwijfeld 'Vitaulium. Hofwijck. Hofstede
van den Heere van Zuylichem onder Voorburgh' (1653).
Huyghens schreef daarnaast ook toneelstukken, o.a. de klucht 'Trijntje Cornelis'
(1651) uitgegeven in 1657, en zijn autobiografie
'De vita propria inter liberos libri duo' (1678).. Hij was een vurig
muziekliefhebber: hij componeerde
enkele kleine stukken en schreef een verhandeling over het orgel.
Constantijn Huygens is de vader van de natuur-
en wiskundige Christiaan
Huygens. Hij deelt een graf met zijn zoon in de Grote Kerk
in Den Haag..
voor meer klik hier.
21. J.J.L. ten
Kate - 1819 -
1889.
Domineedichter van gematigd-orthodoxe richting
naast Beets en Ter Haar. Hij was geboren te 's-Gravenhage, maakte al heel vroeg
verzen en werd dadelijk lid van Oefening. Door de hulp van Ds. O.G.
Heldring te Hemmen werd hij in 1838 student in de godgeleerdheid te Utrecht.
Reeds van 1836 was zijn eerste bundel Gedichten, geprezen door Withuys,
door De Vriend des Vaderlands, door Kneppelhout. In 1839 kwam hij bij N.E.K.
als gast.
Parisina, dichtstuk van Lord Byron, was in 1837 alleen voor vrienden
gedrukt. In 1841 verscheen Maria Magdalena, groot bijbels verhaal in
stromen van verzen. Zijn Zangen des Tijds van 1840 werden in De Gids
scherp beoordeeld; nu richtte hij met Winkler Prins, toen predikant te
Tjalleberd, en De Hoop Scheffer, zijn kamergenoot, een nieuw tijdschrift op; Braga,
1 Dec. 1842, zonder vermelding van de namen der redacteuren. In het eerste jaar
leverde Ten Kate het voornaamste en het beste; toen trok hij zich terug. Hij
dichtte 1843 Hollands Muze over 't verval der dichtkunst; Bakhuizen wees
in de Gids dit ‘Bilderdijksch manifest’ af. In 1845 werd Ten Kate
predikant; sedert maakte hij alleen nog bijbelse en stichtelijke verzen en
vertalingen, alles in menigte. Hij vertaalde werk van Dante in terzinen, 1847.
Predikant te Middelburg 1850, te Amsterdam 1860; preekte ook in zijn gedichten.
Vertaalde werk van Tasso, Schiller, Tegner, Andersen. ‘De getrouwste
uitdrukking van zijn talent’ was zijn gedicht De Schepping, 1866; 2e
deel 1867; 3e dr. 1869; vertaald in 't D., E. en Zweeds; poging om de wetenschap
dienstbaar te maken aan het geloof: Geloof en steenkool! spotte Multatuli. 't
Gedicht is in de trant van Bilderdijk. Opgedragen aan koningin Sophia.
Ten Kate voegde uitvoerige aantekeningen bij
zijn groot gedicht, over de geschiedenis van de aardkorst. Hij legde de 7
Scheppingsdagen uit als 7 tijdperken van vele duizenden jaren. In 1869 kwamen De
Planeten; in 1871 De Vier Jaargetijden.
Onder zijn vertalingen zijn het verdienstelijkst Maria Stuart van
Schiller, 1866, Faust van Goethe, 1878, en Frithiofsaga van Tegner,
1860. Ten Kate ging door met zijn verzenbundels en grote gedichten als De
Nieuwe Kerk van Amsterdam, 8 zangen, 1885, een geschiedkundige berijming, en
met vertalingen: Tasso, Dante, Goethe, Milton. Niemand van de domineedichters
werd zo bespot in de Grassprietjes als ‘de koning der Cantate’.
22. Johannes
Kinker - 1764 - 1845.
Johannes Kinker
was een Nederlands dichter, filosoof en advocaat.
De ouders van Johannes Kinker kwamen uit Duitsland. Als tienjarige begon Kinker
met het schrijven van gedichten en verhalen in het Nederlands en in het Latijn.
Hij studeerde medicijnen en rechten in Utrecht en verhuisde daarna naar
Den Haag waar hij werkte als advocaat en als literair journalist. Van 1817 tot
aan de Belgische Opstand in 1830 was hij aan de pas opgerichte
universiteit van Luik hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde en
welsprekendheid. Hij pleitte sterk voor de eenheid van Noord- en Zuid-Nederland.
In de filosofie was hij een navolger van Spinoza en Kant. In ons land was Kinker
een van de eersten die de filosofie van Kant probeerde ingang te doen vinden,
overigens met gering succes. Hij bestreed de denkbeelden van Willem Bilderdijk
op zowel filologisch als filosofisch gebied.
Nadat hij uit België was weggevlucht hoopte Kinker op een aanstelling aan het
Amsterdamse Atheneum Illustre, maar die is er ondanks beloftes van de
overheid nooit gekomen. Hij was lid van vele letterkundige verenigingen en
actief in de vrijmetselarij.
Het literaire talent van Kinker is vooral terug te vinden in zijn parodieën,
onder meer op het werk van Rhijnvis Feith. Bekende gedichten van zijn hand zijn Alleven
of de wereldziel (1812 en De jonge Kloë. Filosofische werken: God
en Vrijheid (1800), Wilskracht en Deugd (1803), en Gedachten bij
het graf van Kant (1805). Zijn Gedichten verschenen in drie delen in
1818-1821.
23. P. Langendijk
- 1683 - 1756.
Pieter Langendijk werd op 25 juli
1683 geboren in Haarlem. Zijn vader overleed toen Pieter nog maar zes jaar was,
waardoor Pieter moest meehelpen in het kleine bedrijfje dat zijn moeder was
begonnen. Dit ging ten koste van zijn schoolopleiding.
Al op jeugdige leeftijd was Pieter kostwinner voor zijn moeder. Hij werkte als
zelfstandig patroontekenaar voor de textielindustrie en was van 1721 tot zijn
dood factor van de Haarlemse rederijkerskamer Trou moet blijcken.
Hij trouwde in 1928 met een ziekelijke en spilzieke vrouw en zijn huwelijk met
haar duurde tot en met 1739. Financiëel ging het toen steeds slechter met hem
en uiteindelijk was hij aangewezen op steun van het gemeentebestuur. Hij kreeg
een gratis plaats in het Proveniershuis en moest als tegenprestatie een –
onvoltooid gebleven- stadsgeschiedenis van Haarlem schrijven.
Het was in de tijd van de blijspelen en kluchten. Hij hechtte veel waarde aan
zijn Franse voorbeeld Molière, wiens werken hij niet kon evenaren. Hoewel
Langendijk zich afzet tegen de strakke regels van de achttiende-eeuwse
dichtgenootschappen is hij toch duidelijk een man van die eeuw. Hij neemt de
toneelwetten, zoals de eenheden van tijd, plaats en handeling in acht, en hij
houdt zich nauwgezet aan de fatsoensregels van de burgerstand.
Het is typerend voor de schrijver vanwege de manier van schrijven en omdat hij
erg moralistisch is in het blijspel. Hij geeft ook een humoristische wending aan
het verhaal, door de rol van de dwaze Jan. Verder verteld hij het verhaal
duidelijk en rechtlijnig.
Het is typerend voor die tijd omdat hij speelt met een aantal verschijnselen uit
zijn tijd omdat hij zich houdt aan de toneelwetten, zoals de eenheden van tijd,
handeling en plaats in acht nam, en houdt hij zich aan de fatsoensregels van de
burgerstand.
voor meer klik hier.
24. Jacob van
Lennep - 1802 - 1868.
Jacob van Lennep stamde uit een
deftige Amsterdamse familie. Hij werd in 1802 geboren, studeerde eerst te
Amsterdam en daarna in Leiden. In Amsterdam was in die tijd geen universiteit
(!)
Wel bestond er ‘t Atheneum Illustre, de Doorluchte School, een instelling voor
Hoger onderwijs, die in veel opzichten met onze universiteiten overeenkwam. Men
kon echter niet promoveren. wie wilde promoveren moest naar Leiden, Utrecht of
Groningen. De Hoger-Onderwijswet van 1876 gaf ‘t Amsterdamse Atheneum Illustre
‘t jus promovendi, dwz ‘t recht om de doctorsbul uit te reiken, waarmee de
Doorluchte School tot universiteit werd.
Na zijn promotie vestigde Van Lennep zich als advocaat in zijn geboortestad. In
Leiden had hij ook colleges van Bilderdijk gevolgd en was een tijd bevriend met
Da Costa. Maar die vriendschap bekoelde al snel. Van Lennep was een grappenmaker,
die het leven niet al te zwaar nam; Da Costa daarentegen was ernstig en voerde
onafgebroken strijd tegen de invloed van de Franse Revolutie die op politiek en
godsdienstig gebied merkbaar was. Beiden hielden voordrachten: De Costa om zijn
toehoorders te stichten of te bekeren, Van Lennep om ze aangenaam bezig te
houden.
25. C. Loots -
1765 - 1834.
Hij was een schrijver, dichter en
tevens makelaar. Hij moest hard werken om in zijn levensonderhoud te voorzien.
Zijn politieke gedichten brachten hem nog al eens in moeilijkheden.
Hij was vooral een romanticus.
Zijn beroemdste gedichten: Het Bijgeloof, De Slavenhandel, De Batavieren.
26. E.J. Potgieter
- 1808 - 1875.
Potgieter
(Everhardus Johannes), geb. te Zwolle 27 Juni 1808, was tot aan de
revolutie op een handelskantoor te Antwerpen werkzaam, waar hij veel omgang had
met den letterkundige Willems en die grondige kennis der zgn. noordelijke en zuidelijke
levende talen verkreeg, waarvoor hij eene zeldzame geschiktheid had en die zich
in zijne latere geschriften telkens openbaart. In 1831 reisde hij in Zweden om
voor de familie Trip na te gaan, in welken toestand zich de goederen aldaar
bevonden, door de Zweedsche regering aan hare voorouders geschonken, en vestigde
zich in 1833 te Amsterdam,
Met Bakhuizen van den Brink, Drost en Heije gaf hij De Muzen, Nederlandsch
tijdschrift voor de beschaafde en letterkundige wereld uit, Daarop volgde
De Gids, waarin hij een der ijverigste medewerkers was en tot welks redactie hij
van 1836-'66 behoorde, hij schreef. daarin en onder verscheidene pseudoniemen.,
veel als W. D-s. Van 1838-'40 gaf hij het jaarboekje Tesselschade uit. Hij
overleed te Amsterdam 3 Februari 1875.
27. Rhijnvis Feith
- 1753 - 1823.
Rhijnvis Feith (Zwolle 7 februari 1753 (doopdatum)
– aldaar 8 februari (1824) was een Nederlands auteur, dichter en zanger.
Rhijnvis Feith behoorde tot de literaire stroming het sentimentalisme en stond
onder anderen onder invloed van Edward Young, Friedrich Gottlieb Klopstock en
Baculard d'Arnaud.
Feith stamde uit een gefortuneerd regentengeslacht uit Elburg. Hij studeerde
rechten in Leiden en promoveerde hierop na één jaar.
Zo rond 1780 sloot Feith zich aan bij de patriotten. Waarschijnlijk werd hij beïnvloed
door Joan Derk van der Capellen tot den Pol die zijn buurman was in de
Bloemendalstraat. Hierdoor werd hij in 1787, na een patriotse revolutie in
Zwolle, tot magistraat gekozen. Deze functie bekleedde hij zeven maanden: toen
vond er een tegenrevolutie plaats die het gezag van Willem V van Oranje-Nassau
herstelde. Feith was van 1780 tot 1814 ontvanger van de belastingen (convooien
en licenten) op het belastingkantoor van zijn vader.
Op 17 november 1772 trouwde hij met Ockje Groeneveld. Zij kregen samen
negen kinderen.
's Zomers leefde hij op zijn buitengoed Boschwijk (Heinoseweg) en 's winters in
de stad (Bloemendalstraat). Zijn vrouw stierf op Boschwijk op 12 mei 1813.
Rhijnvis Feith overleed te Zwolle op 8 februari 1823, de dag na zijn
eenenzeventigste verjaardag. Hij werd eerst begraven in de Sint Michaëlskerk te
Zwolle, maar werd op 6 oktober 1825 herbegraven op de begraafplaats aan de
Meppelerstraatweg. Op 26 oktober 1825 werd er een monument op zijn graf
geplaatst, gemaakt door de beeldhouwer P.J. Gabriël. Hiermee ging een
wens van Feith in vervulling, want in 1779 ondertekende hij al een rekest aan
het stadsbestuur met het verzoek om het begraven in kerken te stoppen en een
begraafplaats buiten de stad in te richten.
28. H.J. Schimmel
- 1823 - 1906.
Deze Nederlandse dichter en
toneelschrijver werd op 25 juni 1823 in 's-Graveland geboren en is op 14
november 1906 in Bussum gestorven. Hij vestigde zich in 1842 in
Amsterdam waar hij als kantoorklerk begon. Van 1863 tot 1878 was hij directeur
van de Amsterdamse Crediet Vereniging.
Schimmel begon zijn loopbaan als toneelschrijver in 1847 met zijn debuut "Twee
Tudors", een drama dat toen werd opgevoerd in de Amsterdamse
Stadsschouwburg. Zijn naam werd voorgoed gevestigd met het stuk "Joan
Woutersz." Hij was een vriend van Jacob van Lennep. Hij trok
door zijn werk de aandacht van Potgieter waardoor hij mederedacteur werd van De
Gids.
In die Gids schreef hij o.a. in feuilletonvorm zijn roman "Mylady
Carlisle".
Hij is ook verbonden geweest aan andere tijdschriften w.o. Elsevier.
Hij heeft zijn hele leven geijverd voor de verbetering van de opvoeringspraktijk
van het Nederlands toneel.
29. De
Schoolmeester - 1808 - 1858.
De Schoolmeester was het pseudoniem van Gerrit van de Linde geboren in Rotterdam,overleden in Londen. De Schoolmeester studeerde te Leiden theologie nam deel aan de Tiendaagse Veldtocht (tegen België) en moest in 1834 uitwijken naar Londen wegens overspel met een hooggeplaatste dame, een onecht kind en financiële schulden. Daar nam hij een jongenskostschool over en rehabiliteerde hij zich door een voorbeeldige levenswandel. In de trant van The Ingoldsby legends van R.H. Barham dichtte hij talloze zogenaamde knittelverzen, die na zijn dood door zijn vriend Jacob. van Lennep werden uitgegeven als De gedichten van den Schoolmeester (l859) en vele malen werden herdrukt.
30. A,C.W. Staring
- 1767 - 1840.
A.C.W.Staring, dichter uit de Achterhoek. Hij
leefde van 1767 tot 1840 en bewoonde het nu nog bestaande landgoed De
Wildenborch. Staring is de dichter tussen twee stromingen geweest: als opvoeder
was hij een man van de Verlichting maar uit het feit dat hij zijn stof zocht in
oude legenden, volksvertellingen blijkt dat hij in wezen Romanticus was. Omdat
Staring zich uitstekend leent voor een vermelding op een leeslijst volgt
hieronder nog wat informatie over hem: voluit luidde zijn naam Anthoni
Christiaan Winand Staring. Hij werd geboren op 24.1.1767 te Gendringen en woonde
een groot deel van leven op de Wildenborch (Vorden) waar hij in 1840 overleed.
Hij vestigde zich na zijn studies in Harderwijk en Göttingen in 1791 op het
landgoed De Wildenborch, waar hij zich o.a. wijdde aan landontginning. Als
patriot bekleedde hij politieke ambten. De poëzie in zijn debuut Mijn eerste
proeve in poëzij (1786) en in Dichtoeffening (1791) vertoont
sentimentalistische invloed van zijn leermeester Feith. De invloed van Horatius
zou blijvend zijn. Later werden ook Cats en Huygens zijn voorbeelden, om hun
puntigheid. verteltrant en geestigheid.
In zijn langere dichterlijke vertellingen is
het vrij willekeurige hoofdlettergebruik en de omslachtige manier van vertellen
wel eens wat storend voor een modern lezer. Toch blijven zijn verhalen als De
Hoofdige Boer, Jaromir, Marco en De Verjongingskuur nog boeiend, ook voor
huidige lezers.
Tenslotte hieronder het wel heel bekende
Oogstlied dat Staring rond 1830 schreef:
Sikkels klinken;
Sikkels blinken;
Ruischend valt het graan.
Zie de bindster garen!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!
’t Heeter branden
op de landen
Meldt den middagtijd;
’t Windje, moe van ’t zweven,
Heeft zich schuil begeven;
En nog zwoegt de vlijt!
Blijde Maaiers;
Nijvre Zaaiers,
Die uw loon ontvingt!
Zit nu rustig neder;
Galm’ het mastbosch weder,
Als gij juichend zingt.
Slaat uwe oogen
Naar den hoogen:
Alles kwam van daar!
Zachte regen daalde,
Vriend’lijk zonlicht straalde
Mild op halm en aar.
31. Maria
Tesselschade Roemer Visscher - 1574 - 1649.
Maria Tesselschade
Roemers(dochter) Visscher (Amsterdam
25 maart 1594 – aldaar 20 juni 1649), door haar vader zo genoemd vanwege door
hem geleden averij bij Texel, was een Nederlands dichteres en graveerster.
Ze was de dochter van
Roemer Visscher en de elf jaar jongere zuster van Anna Roemers Visscher. Bij
haar ondertrouw te Amsterdam met Allart Janz. Crombalch, van Alkmaar, op 1
november 1623, gaf zij op 28 jaar te zijn - de bekende vergissing van de
enigszins bejaarde bruiden van vroeger tijd - en vestigde zich nadat het
huwelijk voltrokken was te Alkmaar, waar haar evenzeer ouderloze man, een
gewezen officier, in 1634 overleed. Zij had daar ook haar beide dochtertjes
verloren,en keerde alleen naar Amsterdam terug om andermaal - doch onder de
kennelijke invloed van doorgestaan leed en klimmende jaren - het sieraad te zijn
van de Muiderkring. Zelden worden zoveel gaven van lichaam en geest verenigd
gevonden, en nog zeldzamer door ieder bewonderd, gewaardeerd en gegund. Ook van
haar, gelijk van haar vader en haar zuster zijn de tijdsbepalingen van haar
levensbericht zeer onvolkomen. Een familieaantekening luidt: nicht maria
tesselschae Salgr. overleet 20 Juni 1649, R.I.P., en het grafboek van de Oude
Kerk heeft: 24 Juni 1649, Tesselscha Roemer Visschers, wed. van Allart Crombalck,
comt van de [Nieuwe-Zijds?] Colck; is 2 uijren beluijt met de grote clock.
Haar bekendste werk is Onderscheyt tusschen een wilde en een tamme zangster.
32. H. Tollens -
1780 - 1856.
H.F.C. Tollens leefde van 1780
tot 1856. Hij was een volksdichter en koopman. Hij schreef aanvankelijk
sentimentele gedichten doch laterstreefde hij naar meer natuurlijkheid en
eenvoud. Zijn bekendste werk is “Wien Neerlands
bloed” dat in 1815 bekroond werd bij een prijsvraag voor een
volkslied.
33. Roemer
Visscher - 1547 - 1620.
Pieter Roemer Visscher werd
geboren in Amsterdam en bezocht daar de Latijnse school. Hij werd zakenman
en verdiende veel geld. In zijn huis, het Roemershuis genoemd, kwamen
kunstenaars, geleerden en letterkundigen bij elkaar. Aanvankelijk circuleerde
zijn literair werk alleen binnen deze vriendenkring. Pas
vanaf 1612 werd het gepubliceerd.
Zijn bekendste werk is Sinnepoppen, een embleembundel
die in 1614 verscheen bij de uitgever Willem Jansz. Blaeu. De tekeningen waren
gemaakt door Claes Jansz. Visscher.
Roemer Visscher was een voorstander van het gebruik van de landstaal
en schreef daarom in het Nederlands. In zijn voorwoord zegt hij dat hij
een wat vreemde titel voor zijn bundel heeft gekozen, maar daar heeft hij een
goede verklaring voor:
"Geachte lezer, het zal u misschien verbazen dat ik dit werk
Sinnepoppen noem. Ik geef toe dat dat op het eerste gezicht vreemd is, maar het
bestaat voor de helft uit een pop of beeld en voor de andere helft uit een
zinspreuk, spreekwoord of zegswijze. Hierin is het woord zinnepop te zien [...]
en het is onze zuivere moedertaal, die wij graag willen gebruiken en zoveel
mogelijk verrijken [...]."
Roemer Visscher probeerde dus een goed Nederlands woord te bedenken voor wat
gewoonlijk een embleem genoemd werd.
Sinnepoppen bevat 183 emblemen,
verdeeld over drie hoofdstukken, schocken genaamd. In ieder schock
staan 60 genummerde emblemen plus één als 'beslag' (toegift).
Op de afbeeldingen staan meestal herkenbare voorwerpen en in korte prozateksten
legt Roemer Visscher uit welke boodschap in de afbeelding te vinden is. In zijn
voorwoord zegt hij dat hij de tekeningen had laten maken om er samen met
vrienden naar te kijken en er mondeling zijn mening bij te geven. Op verzoek van
zijn vrienden schreef hij zijn commentaren op.
34. Joost van den
Vondel - 1587 - 1679.
35. Carel Vosmaer
- 1826 - 1888.
Carel Vosmaer had een
veelzijdige belangstelling. Zijn publicaties bestrijken vrijwel het gehele
culturele en sociale leven van de negentiende eeuw, met duidelijke accenten op
beeldende kunsten en literatuur.
Opgegroeid in een liberaal
en antiklerikaal vrijmetselaarsmilieu, had hij al vroeg belangstelling voor
denkers als Strauss en Voltaire. Na de rechtenstudie te Leiden
werd hij Substituut-griffier bij het Gerechtshof te Den Haag
en schreef in dat zelfde jaar een beginselverklaring met Eene Studie over het
Schoone in de Kunst (1856). Zijn stelregel ‘er is geen andere ware
godsdienst dan de cultus van het schoone’ - een fundamentele studie over Rembrandt
(1863) toont ons hem in een dienende functie daarvan - maakte hem tot voorloper
van de Tachtigers. Van 1865 af was hij de onbetwiste leider van De Nederlandse
Spectator, waarin hij naast de rubriek Vlugmaren (door ‘Flanor’) vele andere
opstellen publiceerde, ten dele gebundeld als Vogels van Diverse Pluimage
(1872-1874, 3 dln.), graag gelezen artikelen van een flonkerende eruditie.
Vosmaer, die zich weldra geheel aan de letteren kon wijden, heeft zich na een
romantische jeugdperiode al spoedig tot het Klassicisme bekeerd. Voor Homerus en
Horatius vooral had hij grote bewondering. Hij vertaalde de Ilias (1880)
en de Odyssee (1888) en Lourens (vanaf 1873: Lawrence) Alma Tadema
(1836-1912), de feministe Mina Kruseman (1839-1922) en zichzelf op moralistische
wijze ten tonele voert. Daarnaast beleed hij in Een Zaaier (1874; eerder
verschenen in Het Vaderland, waar hij ook aan meewerkte, zoals bovendien aan de
Kunstkronijk) zijn bewondering voor zijn vriend Multatuli. Bij diens huwelijk
met Mimi was Vosmaer getuige.beschreef in hexameters een reis naar de Elgin
Marbles te Londen (Londinias, 1873). Zijn hoogste streven was de zeer
gelijkmoedige maar tevens vrijmoedige geestesgesteldheid van de stoïcijn. Het
begrip ‘aequus animus’ staat centraal in de roman Amazone (1880),
geschreven na een Italiaanse reis en waarin hij naast Horatius ook
Als dichter is hij vrijwel
vergeten.
36. Elizabeth
Wolff - 1738 - 1804.
Elizabeth (Betje) Wolff-Bekker wordt geboren op 24 juli 1738 in Vlissingen en overlijdt op 5 november 1804 te ’s Gravenhage. Betje wordt geboren in een welvarend koopmansgezin. Na een kort liefdesavontuur met Mattheus Gargon in 1755, trouwt ze in 1759 met de dan 52-jarige predikant Adriaan Wolff uit Beemster, die ze kent door intensieve briefwisselingen. In 1763 debuteert ze met haar eerste verzenbundel Bespiegelingen over het genoegen, waarin ook Brieven over den weg tot het waar genoegen is opgenomen. Naast haar verzen schrijft ze ook bijdragen voor het spectatoriale tijdschrift De Gryzaard (1767 – 1769). Ze raakt bevriend met ds. Cornelis Loosjes, oprichter van het tijdschrift Vaderlandsche letteroefeningen.
Opmaak : L.A.M. Reniers